- Tijdens de tweede helft van september 2004 maakte ik nog een 10 daagse solotrekking doorheen de Pyreneeën in de regio tussen de Balaïtous en Vignemale ten zuiden van Cauterets. Zo verkende ik het gebied net ten westen van de Cirque de Gavarnie en de Ordesa waar ik het jaar voordien had rondgetrokken. Je kan het monsterverslag hier lezen.
- Een zelf gemaakte overzichtskaart van de gelopen route:

- Foto’s kan je hier bekijken, of via een fotostream.
You are currently browsing the archive for the Pyreneeën (2004) category.
Het was omstreeks 7h40 in de ochtend die zondag dat de Thalys te Brussel Zuid vertok naar Paris Nord. Door moe en va was ik dan tot in Brussel gebracht met de auto. Het was rustig in de trein, niet veel mensen en ik had dus mooi een plek voor twee voor mij alleen. Ik probeerde zoveel mogelijk te slapen, maar dat lukte niet. Aan een razend tempo snelde de trein zich door de uitgestrekte graanvelden van noordelijk Frankrijk richting Parijs. Nog geen twee uur duurt het.
In Parijs aangekomen liep ik tussen de mensenmassa naar de metro. Eerst een metroticketje kopen aan een automaat, dan het ticketje in het gleufje duwen aan de smalle ingangspoortjes van de metro, ticketje terug nemen en tenslotte mijn kolossale rugzak nog oppikken aan de zijkant van de poortjes want die was te groot om er zo doorheen te kunnen. Toen ik aan het perron van de juiste metrolijn even een klein minuutje moest wachten op de eerstvolgende metro zag ik nog twee mensen, beide met trekkersrugzak, een jongen en een meisje waarvan het meisje verdacht veel op Sarah de Baets leek. Ik keek nog eens goed, maar dacht dat ik me maar wat inbeeldde. Op de metro was het gebruikelijk een aan en afvloeien van mensen tot ik vervolgens uitstapte aan het metrostation van Montparnasse, aan de andere kant van Parijs, waar ik dan de bordjes volgde naar het treinstation via de bekende lopende band die dit keer eens niet werkte. Het was ticketjescontrole bij de uitgang van de metrogangen. Gelukkig had ik mijn ticketje niet weggegooid en kon ik door. In het station van Montparnasse kocht ik eerst een flesje cola van een halve liter en liep dan naar de TGV met bestemming Lourdes en Tarbes, die al klaar stond voor vertrek. Aan de ingang van het perron stond een toestel om je biljetten te valideren bleek later. Iedereen stak er zijn biljet in, waarop het toestel er een gaatje in prikte. Ik ging zo verder zonder mijn biljet te valideren. Het was immers de eerste keer dat ik dit zag en vorig jaar had ik niks van een biljettenvalidatie gemerkt. Op de trein zat ik naast een oude negerinnenoma. Zij zat aan het raam, ik langs de gang. Het duurde even voor de TGV vertrok. Onderweg heb ik veel geslapen en heb dus niet zoveel naar buiten kunnen kijken. Het was wel redelijk goed weer met een voor de helft met laaghangende stapelwolken gevulde hemel. Uren later bij de biljettencontrole begon de treinconducteur een hele uitleg van waarom ik mijn biljet niet gevalideerd had. Wist ik veel. Hij zag wel direct dat ik geen fransman was en liet het maar voor wat het was, maar nu wist ik tenminste waarom iedereen stond aan te schuiven met hun biljet aan dat machientje op het perron. De volgende keer ook maar doen dan.
De oude dame moest in Dax zijn en was steeds ongerust of ze wel op de juiste trein zat. Ze heeft me regelmatig gevraagd of deze trein wel in Dax stopte of hoeveel stationhaltes er nog waren voor Dax. In mijn beste Frans probeerde ik haar maar gerust te stellen. De trein splitste in Bordeaux. Het voorste gedeelte reed verder naar Bayonne en Irun, in het Baskenland. Het achterste gedeelte, waarop ik meereisde, deed Dax, Pau en Lourdes aan alvorens te eindigen in Tarbes. In Bordeaux stapten enkele mensen uit, maar stapte nog meer volk op zodat de trein nu helemaal vol zat. Twee oude dames die achter me plaats namen vroegen me om hun twee valiezen op het bagagerek te tillen. Ik verstond eerst niet wat ze zeiden, maar het werd in een paar seconden wel duidelijk. Na de klus vertrokken we weer.
En dan kwamen we na toch wel meer dan een uur verder doorreizen aan in Dax, waar mijn buurvrouw afstapte. Maar nog net voor we in Dax aankwamen liepen de twee bekenden door de gang naar de restaurantwagon. Nu zag ik het duidelijk dat het wel degelijk Sarah de Baets was, maar zij had me niet gezien want ik zat op een zetel die tegen de rijrichting in stond en om de restaurantwagon te bereiken moest je naar achteren op de trein lopen. Nadat ik de valies van het oude zwarte vrouwtje van het bagagerek had genomen hield de trein halt in Dax en kon ik vanaf nu aan het raam gaan zitten want er stapte niemand meer op die naast me moest plaats nemen. Sarah en haar vriend liepen terug naar hun wagon via het perron, zag ik. Haar vriend kende ik niet bij naam, maar ik had hem al wel eens eerder gezien op één of ander merkatorfuifje in Leuven.
Onderweg naar Pau werd het steeds meer bewolkt. Van de Pyreneeën in het zuiden werd niets zichtbaar. Vorig jaar kon ik tijdens de terugreis de kolossale Pic du Midi d’Ossau (2884m) tot in Pau bewonderen. Tussen Pau en Lourdes werd het helemaal betrokken en reden we even door lichte regen. Ik had op voorhand de weerssituatie goed opgevolgd en wist dat we nu van achteren uit door het koufront reden dat straks ook de Pyreneeën zou bereiken. Net voor Lourdes werd het weer droog en verschenen opnieuw enkele schaarse opklaringen tussen de wolken zodat af en toe toch wat blauwe lucht te zien was.
In Lourdes was het toch aangenaam weer. Ik snelde vlug naar de bushalte net voor het stationgebouw want de bus voor Cauterets vertrok slechts een paar minuten later, om 16h02. Toen ik even aan het bordje met de uurregeling van de bus stond te lezen, riep er plots iemand van achter me, een beetje met een twijfelende stem : “Dag Joery ?” Het was Sarah natuurlijk met Jeroen, haar vriend. Toevallig gingen ze ook naar Cauterets. We sloegen aan het babbelen terwijl we even later onze rugzakken in de bagageruimte van de bus stopten en vervolgens opstapten. Er reisden nog behoorlijk veel mensen mee naar Cauterets.
Sarah en Jeroen waren van plan om de Ordesa en de Cirque de Gavarnie aan te doen. Daar was ik de vorige keer overal geweest. Het was hun allereerste keer dat ze gingen trekken door de Pyreneeën. Dan is het begrijpelijk dat ze de Cirque de Gavarnie en Ordesa uitkiezen. Die doet immers iedereen eerst, net zoals ik ook vorig jaar. Jeroen haalde zijn kaart boven en wees wat ze van plan waren waarop ik mijn gevolgde route van vorig jaar aanduidde. Nu hadden ze dezelfde weg gepland als ik tot in het Valle del Ara, waar zij de vallei verder door zouden gaan naar Bujaruelo, maar ik opnieuw zou klimmen naar de Collado del Letrero om de bergmeren van Panticosa te bereiken. Onderweg naar Cauterets was het zicht niet zo goed. De meeste bergtoppen waren gehuld in het middelhoge wolkendek. Aangekomen in Cauterets, om enkele minuten voor vijf uur, besloten we om samen een camping op te zoeken. Jeroen had een redelijk dik wandelboek mee over de Pyreneeën waarin ook gedetailleerd de in de dorpen aanwezige campings stonden vermeld met onder meer hun adres, faciliteiten en prijs. Ik vroeg me al stilletjes af bij mezelf waarom hij dat boek meesleurde. Allemaal onnodige kilos te veel vind ik. Op basis van het boekje gingen we naar de camping “Le Mamelon Vert”, welke uiteindelijk de camping was die het dichtst bij het dorp gelegen was. Na het onderweg op straat even gevraagd te hebben vonden we de camping toch redelijk vlug en gemakkelijk.
De uitbaatster was een vrouw. Het was geen hoogseizoen meer en daarom konden we van de lagere prijstarieven van het nevenseizoen profiteren. Na het betalen leidde ze ons even rond. Buiten enkele caravans was er op uitzondering van een koppel met een Hilleberg Nallo, niemand op de camping. We stelden onze tenten op naast het andere koppel met hun Hilleberg. Vervolgens begon ik van mijn sandwiches te eten die ik van thuis mee had. Het was reeds sinds deze morgen geleden dat ik nog gegeten had. Op de trein had ik geen honger gekregen en had toen ook geen zin om mijn sandwiches uit mijn rugzak te halen, maar nu had ik ondertussen toch wel redelijk wat honger gekregen. Sarah en Jeroen begonnen aan een echt kookfestijn. Met hun twee gasbranders stoofden ze groentes en, als ik me niet vergis, pasta klaar. Daarna namen we plaats in het Tv-lokaaltje van de camping, waar toch niemand was. Jeroen zette een andere post op want de Franse Big Brother was toch niet interessant genoeg, hoewel er naar verluid naakte mensen te zien waren. Dat had ik gemist toen ik nog even geld ging wisselen bij de campinguitbaatster. Nochtans werd er op een opgehangen papier verzocht om de televisie niet van post te verzetten. We keken dan maar naar een documentaire over zangvogeltjes, ergens in Rusland bleek.
Wanneer Sarah en Jeroen dan uiteindelijk hun eten op hadden gingen we maar slapen want het was ondertussen beginnen motregenen en het werd al snel donker. Het dal was nu volledig gevuld met een dik wolkendek waarvan de basis steeds lager zakte. Het koufront zal weldra vanuit het noorden de Pyreneese dalen binnendringen. Ik bracht nog een bezoekje aan het sanitairgebouw van de camping om onder meer mijn lenzen uit te doen en kroop daarna ook in mijn slaapzak in mijn Hilleberg Acto. Het was dan 19h00 en ik viel niet veel later toch snel in slaap.
Afstand: 20,0km
Duur: 7h00 Klimmen: 1516m
Dalen: 82m
Die nacht werd ik enkele keren wakker. Vooral tijdens het tweede deel van de nacht sliep ik niet meer goed. Het bleef constant motregenen en omdat het redelijk zacht bleef buiten was het zweten in mijn slaapzak. Mijn horloge wees 13°c aan wanneer ik ergens rond één uur keek hoe laat het was. Uiteindelijk werd ik gewekt om kwart na zeven in de ochtend door het alarm van mijn horloge. Het begon toen net licht te worden. Een goeie timing dus van me. Het was nu opgehouden met motregenen. Mijn buitentent was helemaal nat gecondenseerd en wanneer ik mijn tent open ritste en naar buiten keek was het dal met een dik pak onbeweeglijke lage grijze wolken gevuld met daaronder enkele nevelslierten. De wolkenbasis lag slechts een honderd meter boven de dalbodem.
Die nacht werd ik enkele keren wakker. Vooral tijdens het tweede deel van de nacht sliep ik niet meer goed. Het bleef constant motregenen en omdat het redelijk zacht bleef buiten was het zweten in mijn slaapzak. Mijn horloge wees 13°c aan wanneer ik ergens rond één uur keek hoe laat het was. Uiteindelijk werd ik gewekt om kwart na zeven in de ochtend door het alarm van mijn horloge. Het begon toen net licht te worden. Een goeie timing dus van me. Het was nu opgehouden met motregenen. Mijn buitentent was helemaal nat gecondenseerd en wanneer ik mijn tent open ritste en naar buiten keek was het dal met een dik pak onbeweeglijke lage grijze wolken gevuld met daaronder enkele nevelslierten. De wolkenbasis lag slechts een honderd meter boven de dalbodem.
Sarah en Jeroen hadden geen alarm en we hadden afgesproken dat ik ze zou wekken, wat ik dan ook deed. Daarna at ik weer een deel van mijn sandwiches op en ging ik me vervolgens wassen. Ondertussen waren Sarah en Jeroen uit hun tent gekropen en wanneer ik terug was begonnen we samen onze tent af te breken en al onze spullen in onze rugzak te stoppen. Het was ongeveer half negen toen we klaar waren om te vertrekken. Ik vulde nog snel mijn ondertussen lege colaflesje met het kraantjeswater van de camping, maar ik moest ervoor naar een kraantje achter de bungalow die naast onze kampeerplek stond want het kraantje aan onze kampeerplek stond net voor de Nallo van het koppel naast ons die net waren opgestaan en zich waren aan het aankleden in hun tent. Uit beleefdheid dan toch maar het wat verder gelegen kraantje opgezocht.
Via het paadje langs het sanitairgebouwtje liepen we zo naar het dorp waar Sarah en Jeroen nog even geld afhielden van de geldautomaat en wat koffiekoeken kochten bij de bakker die ze dan onderweg opaten. Rond tien voor negen begonnen we dan echt aan het wandelwerk. We namen niet het wandelpad waarlangs ik vorig jaar hier ben aangekomen. Dat paadje stijgt achter de oude badhuizen van Cauterets omhoog en loopt vervolgens vlak langs de wand van de vallei naar het gehuchtje La Raillère, dat gelegen is achteraan in het dal. In plaats daarvan namen we de wandelweg langs de westkant van de vallei, maar deze kwam al snel opnieuw op de asfaltweg uit. Dan hebben we maar gewoon de steeds licht stijgende autoweg verder gevolgd naar La Raillère (1040m), waar we reeds omstreeks 9h15 aankwamen. La Raillère bestaat in principe enkel maar uit enkele toeristenkraampjes en een badhuis. Het is hier dat het nauwe Vallée du Lutour via een drempel in het smalle Val du Jeret uitmondt en vanaf hier het bredere Vallée du Cauterets vormt. We stopten even bij het begin van het watervallenpaadje door het Val du Jeret om onze trui uit te trekken want het was toch behoorlijk zacht.
Vanaf nu moest er steiler gaan geklommen worden wist ik, want vorig jaar had ik het pad door het Val du Jeret reeds gelopen tijdens de allerlaatste dag maar dan in de tegenovergestelde richting. De gele wandelbordjes duidden 1h30 aan voor Pont d’Espagne. Nog steeds was het grijs en donker weer en wanneer we reeds enkele tientallen meters geklommen waren door het dichte naaldbos langs de noordelijke zijde van de met vele watervallen gevulde rivier in het smalle dal, merkte ik op dat het opnieuw motregende wanneer we even een open plek in het naaldbos doorkruisten, maar erg was dit niet want je werd vrijwel niet nat omdat de bomen al de motregendruppeltjes goed opvingen. Op de plek waar rechts het steil klimmend paadje voor de Pic Péguère (2313m) afsloeg, rustten we een eerste keer wat uit en dronken we wat. Ik zweette erg. Mijn schouders en armen stoomden. Na een kleine tien minuten vertrokken we weer op pad. We passeerden nog de Cascade du Ceriset, de Cascade du Pas de l’Ours en de Cascade de Bousses, waarvan enkel de laatste goed te bekijken valt van op het wandelpad. Vorig jaar werd ik nat van de opspattende waterdruppeltjes van de Cascade de Bousses, maar nu helemaal niet. Er leek ook minder water door de rivier te stromen dan vorig jaar.
Niet veel verder kwamen we aan de Pont d’Espagne (1496m) aan. Het was dan 10h45. We hadden dus perfect 1h30 gelopen vanaf La Raillère. Ondertussen was het ook opgehouden met motregenen, maar het bleef grijs met zeer laaghangende wolken. De valleiwanden waren helemaal in de wolken gehuld. Slechts enkel het onderste gedeelte van het dal was steeds zichtbaar. We verpoosden even nabij de watervallen die hier diep verscholen liggen in de kloof waardoor de rivier zich een weg baant. Nabij de Pont d’Espagne stopt de autoweg vanuit Cauterets en bevindt er zich een zeer ruime parking. Er kwamen al heel wat dagjesmensen aan.
Na een kleine tien minuten liepen we een vijftigtal meter verder naar de Hotellerie d’Espagne, een heel toeristisch restaurantje aan de Pont d’Espagne, waar we nu zicht hadden op de Gave de Gaube die zich hier via een waterval in de Gave du Marcadau stort. Ook deze waterval kende geen groot debiet. Het is hier dat het Vallée de Gaube en het Vallée du Marcadau bij elkaar komen en vanaf hier het Val de Jéret vormen. Sarah had ondertussen een appelflauwte, dus gingen we maar buiten op de stoeltjes zitten van de hotellerie en bestelden een dure cola. Wanneer die op was vertrokken we weer.
Vanaf nu wandelden we het rustige Vallée du Marcadau in. Het is een vallei die opgebouwd is uit enkele lange grasvlakten, telkens gescheiden door een drempel. In elke vlakte slingert de Gave du Marcadau zich als een vlechtende rivier via vele armen een weg door het gras, een bekend gezicht. Deze vallei lijkt erg op het Valle de San Nicolau in het Spaans nationaal park van de Aiguestortes in de Catalaanse Pyreneeën, waar ik enkele jaren geleden eens geweest was. Ook de vele koeien waren er eveneens. Langs de met naaldbomen beklede valleiwanden vielen enkele puinhellingen bestaande uit dikke granieten rotsblokken tot op elke vlakte. Bergtoppen waren nog steeds niet te zien want de wolkenbasis hing nog steeds onveranderd erg laag, soms tot bijna op de dalbodem, maar het stratusdek werd wel geleidelijk lichter van tint. Ik was oorspronkelijk van plan om eigenlijk nog het Vallon du Pouey Trénous in te klimmen, een lieflijk zijvalleitje van het Vallée du Marcadau dat eindigt in de kleine Cirque de Pouey Trénous. Hier zou ik dan overnachten om dan misschien naar een bres in de cirque te klimmen die een mooi uitzicht biedt op de noordwand van de Vignemale en de Oulettes de Gaube, om dan weer terug af te dalen naar het Vallée du Marcadau. Maar met de laaghangende wolken besloot ik om dat plannetje toch maar over te slaan, want indien de top van de inversie waaronder de wolken zich bevinden, te hoog lag zou er helemaal niets te zien zijn en dan zou ik toch alleen maar gefrustreerd weer terug afdalen. Misschien komt het er ooit nog wel een andere keer van. Na een vijftal minuten wandelen vanaf de Hotellerie d’Espagne kwamen we aan bij de Chalet du Clot, waar we konden kiezen om verder over het brede grindpad te lopen, dat hier via een bruggetje naar de zuidelijke oevers van de Gave de Marcadau loopt, of om een onopvallend wandelpaadje te nemen dat verder door het gras rechts van de beek midden door de eerste vlakte loopt. Ik drong aan om het kleine paadje te nemen omdat dat volgens mezelf het mooiste ging zijn, wat we met z’n drieën dan ook deden.
Niet veel verder klommen we even tot we op de tweede vlakte in de vallei uitkwamen. Dit is het Pla de Cayan. Terwijl we vrijwel vlak rustig verder wandelden, babbelden we onder meer wat over de geografie-excursies, de vakken, de proffen en de vuile streken van professor Paulissen en zo meer. Wanneer na een tijdje ook deze vlakte volledig was doorkruist en de klim begon over een drempel naar de derde vlakte, het Pla de Estaloungué, nabij de monding van het Vallon de Pouey Trénous in het Vallée du Marcadau, dat ik dus oversloeg, besloten we om de middagpauze te houden. Het was zo goed als 12h15. Ik at nu mijn allerlaatste sandwiches op. Sarah en Jeroen haalden hun stokbrood boven en onder meer hun glazen pot confituur. Daar heb ik dan toch wel even een opmerking over gemaakt, weer kilos te veel. Ondertussen verscheen er een klein stukje blauwe lucht tussen het stratusdek. Dat zag er dan toch alvast veelbelovend uit. Na de ruime pauze vertrokken we weer op pad. Na de korte klim kwamen we op het Pla de Estaloungué aan waar de wolkenbasis nu zeer laag hing. Deze vlakte was eerder smal. Op het einde van de vlakte op de klim naar het Pla de la Gole, waarop de Refuge Wallon zich bevindt, gebeurde het dan. Het stratusdek brak open en plots verscheen een wolkenloze blauwe hemel met een brandende zon die fel op de bergen scheen. Alle bergtoppen waren nu te zien. Het was warm. Wanneer we niet veel verder terugkeken over het Vallée du Marcadau zagen we net over het stratusdek heen. De vallei was met een deken aan wolken gevuld, maar wij waren ondertussen tot helemaal boven deze wolken geklommen, een prachtig zicht. Ik realiseerde me nu dat het Vallon de Pouey Trénous onder deze omstandigheden nu wel perfect mogelijk was geweest, maar nu was het te laat. Een klein stukje verder, waar het Vallée d’Aratille uitmondt in het Vallée du Marcadau, splitst het pad zich. Links begint de klim het Vallée d’Aratille in, naar onder meer het gelijknamige meer en de col aan het dalhoofd van deze vallei. Dit pad moest ik eigenlijk nemen, maar ik liep nog een tweehonderd meter met Sarah en Jeroen mee verder over het pad naar rechts dat verder licht stijgend door het Vallée du Marcadau loopt tot aan de Refuge Wallon (1866m) waar we een paar minuten later aankwamen omstreeks 14h00.
De refuge ligt aan de rand van het Pla de la Gole, waar de Gave de Marcadau weer mooi
doorheen slingerde. Aan de oevers groeien enkele stokoude naaldbomen, een mooi decor met de granieten bergen op de achtergrond. Voornamelijk de Pic Falisse (2765m) en de Grande Fache (3005), waarvan ik de laatste later deze tocht nog zal beklimmen, waren de twee grenstoppen die het meeste aandacht opeisten. Naar het zuiden toe kon zelfs van aan de hut zeer verrassend de top van de Vignemale (3298m) opgemerkt worden van over de bergrug die het dalhoofd van het Vallée d’Aratille vormt.
Sarah en Jeroen hielden het wandelen voor bekeken voor vandaag. Ze zouden de komende nacht met hun tent overnachten aan de refuge om dan morgen over de Col d’Aratille (2528m) Spanje in te trekken naar Bujaruelo. Ik wou hier nog niet eindigen voor vandaag. Ik dronk nog een cola aan de hut, Jeroen vuil Frans bier, we babbelden nog even en daarna nam ik afscheid om weer te vertrekken. Ik wenste ze nog een aangename wandelvakantie en ging weer op pad. Het was dan alweer 15h15.
Wanneer het korte stukje terug afgelegd was, begon de klim het Vallée d’Aratille in, de eerste echte lange klim. Er waren nog enkele mensen net voor me aan de klim begonnen. Na een poosje lieten ze me voor. Het was verschrikkelijk warm onder de brandende zon. Er stond ook zo goed als geen wind. Het zweet liep in druppeltjes van mijn voorhoofd. Wat verder stopte ik dan even om dan toch uiteindelijk de pijpen van mijn broek te ritsen. Mijn haren op mijn benen plakten helemaal tegen mijn huid aan van het zweten. Dan liep ik weer verder terwijl ik ondertussen weer dorst had gekregen. Ik had nog geen water. Mijn waterzak was nog leeg want ik had hem nog niet gevuld en mijn colaflesje was eveneens leeg gedronken reeds voor ik aan de Refuge Wallon aankwam. Ik had nog geen water verzameld om gewicht te sparen voor deze klim.
Weer wat verder moest ik plots weer stoppen voor een snel opkomende grote boodschap en het was dan dat voor het eerst tot me doordrong dat ik thuis wc-papier vergeten was. Maar zo erg was het niet want met wat gras gaat het ook wel, hoewel het gras hoog in de bergen heel stug is en moeilijk valt af te trekken, zodat toch naar zacht gras moest gezocht worden dat eerder vlak naast rotsblokken te vinden is, moest ik opmerken. Na deze klus vatte ik de klim verder aan. Al gauw steeg ik boven de boomgrens uit. Veel boompjes groeiden hier sowieso niet meer. Wat verder stak het pad een klaterend beekje over waar ik stopte om te drinken. Ondertussen verschenen er twee gemzen een vijftig meter hogerop op de rotswand. Ze staarden me even aan en liepen daarna rustig weg. Ik nam mijn colaflesje en verfriste mijn mond met het water van het beekje. Toch heb ik er niet van durven drinken, want er groeiden ook algen in het beekje en er zweefden ook kleine onzuiverheden in het water.
Daarna ging ik weer verder. Nu liep het pad over en tussen uitgestrekte en gladgeschuurde vaste rots. Ik was reeds sterk geklommen en niet meer ver van het Grand Lac d’Aratille (2256m) verwijderd. Het beekje dat van het meer komt stroomde links van me. Op een bepaalde plek in het riviertje bloeide uitgebreid waterranonkel. Een toch redelijk oude meneer was me ondertussen ingehaald en voorbij gestoken wanneer ik een foto hiervan had genomen. Niet veel verder stond hij stil en kwam ik hem dus terug tegen wanneer hij tegen me zei dat hij spelende marmotten had gezien hier. Hij had ze blijkbaar ondertussen wel weggejaagd. Een honderd meter verder kwamen we bij het felblauwe Grand Lac d’Aratille (2256m) uit, waar ik vlak naast de oever in het gras ging zitten nadat ik mijn colaflesje had gevuld met een halve liter van het meerwater. Ondertussen was het 16h50 geworden. Het is een redelijk groot meer en er stonden redelijke golven op de waterspiegel want hier woei ondertussen toch wel een briesje. Ik dronk het meerwater van mijn flesje allemaal rechtstreeks op zonder micropuur toegevoegd te hebben.
Wat later arriveerden de echtgenote en de dochter, of kleindochter van de meneer ook aan het meer. Zij gingen wat terug ook aan de meeroever zitten, terwijl de vent al terug vertrok naar beneden. Hij had blijkbaar al genoeg gezien. Na een poosje liep ik wat rond om foto’s te trekken van het meer. De twee dames keerden wat later ook terug. De Pic Alphonse Meillon (2930m) en de Grand Pic d’Aratille (2900m) zijn de twee opmerkelijkste toppen aan het dalhoofd van het Vallée d’Aratille. De Col d’Aratille was van hieruit net niet te zien. Ik vertrok weer en liep nu verder over het pad dat een tiental meter boven de waterspiegel van het meer vrijwel vlak verder loopt langs de westelijke oever. Na het meer gepasseerd te zijn begon het pad weer te stijgen tot ik tussen het gras en de gladde vaste rotsen in het klein dalletje terecht kwam van het riviertje dat naar het Grand Lac d’Aratille stroomt. Ik stak het riviertje over. Ook hier bevonden zich enkele plasjes met bloeiend waterranonkel. Ik stopte hier even om op de kaart te kijken. Mijn plan was om te overnachten bij het nog iets hoger gelegen Lac de la Badète (2344m), maar vermits het meer heel afgelegen ligt omdat er geen wandelroute naartoe loopt, diende ik op de kaart te kijken om me een beetje te oriënteren om een goede route te kiezen naar het meer toe. Ik besloot om het pad nog even een honderd meter in de richting van de Col d’Aratille te volgen, om het dan te verlaten.
Door het gras liep ik zo weer naar het riviertje toe, stak het over op een plek waar het weer een uitgestrekte ondiepe plas vol bloeiende waterranonkel uitstroomde en liep dan even langs de plas verder tot ik opnieuw steeg door het gras, ruwweg in zuidwestelijke richting. Plots stootte ik toch op een vaag paadje dat ook nog eens gemarkeerd was met enkele kleine steenmannetjes. Dit moet dus het paadje zijn dat me tot aan het meer zal brengen. Ik volgde het zo goed mogelijk, maar af en toe werd de route niet duidelijk. Wat hogerop kwam ik in ruiger terrein terecht. Het gras maakte meer en meer plaats voor rotsblokken, tot ik uiteindelijk het meer zag liggen wanneer het omstreeks half zes was.
Het paadje was ondertussen spoorloos en steenmannen waren ook nergens meer te bekennen. Ik liep door het ruige terrein plots noordwestwaarts om de noordelijke oever van het meer te bereiken. Enkel hier kon ik precies een geschikte grasplek vinden tussen de rotsen om te overnachten, want langs de andere kant vielen steile puinhellingen onder de Grand Pic d’Aratille (2900m) en de Pic de la Badète (2805m) tot in het meer. Deze toppen wierpen eveneens een grote schaduw op het meer en de omgeving er rond. Onder de Grand Pic d’Aratille lag zelfs ook nog een redelijk groot sneeuwveld aan de oever. Het waterpijl stond een meter te laag, want je kon duidelijk zien dat het meer eigenlijk veel voller diende te zijn aan de bruin gekleurde stenen aan de oevers. Er monden ook geen riviertjes in het meer uit, noch is er één dat uit het meer stroomt. Ik vond snel een geschikte kampeerplek, maar ze lag wel een dertig meter van de meeroever vandaan. Daar stelde ik mijn tent op, maakte vervolgens eten klaar en nadat ik mijn maaltijd op had ging ik nog even de berghelling op aan de noordzijde van het meer om enkele foto’s te nemen.
Dat deed ik op mijn sloffen, maar dat was blijkbaar niet zo’n goed idee. Ondertussen was het al sterk afgekoeld en kleurden de berghellingen van de Pics Chabarrou (2925m) in het oosten rood onder toedoen van de late avondzon. Hetzelfde gebeurde met de Vignemale (3298m) die ook verrassend van hieruit te zien was wanneer ik wat hogerop klom. Terug beneden waste ik nog even aan de meeroever mijn pot uit waaruit ik gegeten had en poetste mijn tanden. De wind was ondertussen volledig gaan liggen en het werd al goed fris. Mijn trui had ik al langer aangetrokken. Het was hier muisstil. Omdat het windstil was geworden en het meer in een ondiepe kom ligt ingebed, wist ik dat het deze nacht wel eens goed kou zou kunnen worden. Ik nam nog voldoende water mee uit het meer in één van mijn kookpotten om morgen ochtend geen water meer te moeten komen halen. Ik kroop mijn slaapzak in. Het was dan 20h35 en zo goed als donker. Ik viel niet snel in slaap. Mijn hartslag bleef redelijk hoog en zakte niet naar rust, een teken van vermoeidheid. Ik probeerde zoveel mogelijk nog te drinken, want dat had ik vandaag niet al te veel gedaan. Mijn mond bleef heel de tijd droog.
Wanneer het helemaal pikkedonker was ritste ik nog even mijn tent open om de sterrenhemel te bekijken. Het was prachtig: de donkere zwarte contouren van de bergen die afstaken tegen de donker blauwe hemel die gevuld was met ongelooflijk veel sterren, duizenden. Eigenlijk was het de eerste keer van al die keren dat ik reeds zo hoog overnacht heb in de bergen dat ik eens tijd maakte om de sterrenhemel aandachtig te bekijken. Op zo’n moment besef je pas dat de stads- en straatverlichting bij ons ’s nachts in België heel wat van deze sterren onzichtbaar maakt. Lang heb ik niet gekeken. Het was al erg koud. Tenslotte ritste ik alles weer toe en viel na een tijdje toch in slaap.
Afstand : 17,0km
Duur : 8h00
Klimmen : 986m
Dalen : 920m
Bergpassen : Col d’Aratille (2528m), Collado del Letrero (2651m)
Gisteren had ik de bewoonde wereld verlaten en zo goed als altijd geklommen, hoog de bergen in zodat ik me nu reeds een stuk boven 2000m bevond. Vandaag zou het echt pas gaan beginnen. Een echte eenzame trekkingdag hoog doorheen het overwegend granieten berglandschap, over ruig terrein, waarbij zelfs nog niet één keer onder de 2200m zal worden gedaald en waarbij ik bijna geen mensen meer zal tegenkomen. Kort samengevat zal ik vandaag over de Col d’Arratille (2528m) Frankrijk verlaten en Spanje intrekken, om dan vervolgens een eindje af te dalen in het Valle del Ara om dan terug te klimmen naar de ruige en afgelegen Collado del Letrero (2651m) die de toegangspoort vormt naar een verzameling van grote hoog gelegen bergmeren, de bergmeren van Panticosa. Hier zal ik dan tenslotte aan het meest westelijk gelegen bergmeertje, het aantrekkelijke Ibon Azul Superior (2410m), overnachten onder de indrukwekkende noordwand van de Pico del Infierno (3082m).
Het was dit keer 7h00 wanneer het alarm van mijn horloge afging. Ik zag eveneens dat het slechts een 2°c was in mijn tentje. Het was nog redelijk donker en daarom stond ik pas een goed kwartier later op. Wanneer ik buiten keek zag ik opnieuw een staalblauwe hemel, weliswaar met enkele hoge sluierwolken gevuld. Het was duidelijk koud en windstil. Later bij het ontbijten bemerkte ik plots een dun laagje ijs op het resterende water van mijn ene kookpot. Het vroor dus buiten. Na het ontbijten en inpakken was ik omstreeks 9h00 vertrekklaar. Ik zocht opnieuw het vage paadje dat me gisteren van het pad richting de Col d’Arratille naar het Lac de la Badète had gebracht. Op verschillende plekken was de dauw vastgevroren aan de grassprietjes. Terug beneden op het echte wandelpad, een eindje boven het Grand Lac d’Arratille (2256m), sloeg ik rechtsaf om nu de klim te beginnen naar de verborgen Col d’Arratille. Ondertussen lag er een groep van een vijftal Engelsen een vijftigtal meter voorop. Ze moeten deze ochtend zeer vroeg vertrokken zijn vanuit de Refuge Wallon. Al snel haalde ik ze in en stak ze voorbij.
Het pad begon nu steiler kronkelend te klimmen. Even verder zag ik even een glimp van een gems, die snel wegvluchtte toen ze me opmerkte. Het pad werd nu steeds ruiger en minder duidelijk. Af en toe was nog een steenman te bemerken of een streepje rode verf op een rots.
De Engelsen waren ondertussen gestopt zag ik. Ze haalden hun kaart boven om de weg te zoeken want net als ik vonden ze niet meer regelmatig een wegmarkering. Zij waren duidelijk niet ervaren, want op de kaart naar de weg zoeken haalt in zo’n geval niks uit. Ik wist dat ik gewoon op het gevoel moest verder klimmen en er dan vroeg of laat wel weer sporen van een pad of wegmarkering gingen opduiken.
Een lange tijd ging het over vaste granietrotsen verder, om dan een grote puinhelling te betreden reeds dichtbij de col. Hier waren weer veel steenmannen aanwezig zodat de weg goed te volgen was. Bovenaan de puinhelling passeerde ik het eerste sneeuwveld en kwam dan bij de noordoostpunt van het diep ingebedde Lac du Col d’Arratille (2501m) uit. Het zag er een donker en koud bergmeer uit. Pas vanaf hier kon ik nu de Col d’Arratille (2528m), aan de zuidkant van het meer, zien liggen. Toch haalde ik hier eventjes de kaart uit mijn rugzak om te kijken langs welke kant het pad verder liep langs het meer naar de col want ondertussen was het weer zoek geraakt. Dat was langs de oostkant. Ik vertrok terug op weg, betrad de steile puinhelling langs de oostkant van het meer waar een mooi pad was in aangebracht en kwam zo snel op de col uit. Het was nu net 10h00 geworden. Er blies een frisse wind vanuit de Spaanse kant. Nu stond ik op de Frans-Spaanse grens. Een bord duidde de grens van het Parc National des Pyrenées aan met daarop de bijhorende regels van het park vermeld, voor de mensen die hier vanuit Spanje zouden aankomen. Vanaf hier zag ik nu pal op de noordwestkant van de Vignemale (3298m). Langs deze zijde lijkt het maar een grote kalkstenen bergmassa. Het Valle del Ara leek een lieflijk dal. Op de redelijk vlakke dalbodem bevinden zich uitgestrekte grasvlakten. De Spaanse kant leek droger dan de Franse. Voor zover ik kon zien groeide er geen enkele boom in het Valle del Ara.
Ik trok nog enkele foto’s en dan arriveerde de eerste van de Engelse groep op de col. Hij vroeg me van waar ik kwam, waar ik naartoe wou gaan en voor hoe lang ik hier in de Pyreneeën zou verblijven. Hij keek me maar met een beetje ontzag aan toen ik hem zei dat ik nog over een tweede col verder zou klimmen naar de meren van Panticosa, maar vooral toen ik zei dat ik tien dagen onderweg zou zijn. Niet veel later kwam de rest van de groep aan, maar ik vertrok dan net.
Het pad daalde niet meteen het Valle del Ara in,
maar bleef vrijwel steeds vlak verder lopen over de puinhelling. Al gauw dook het pad een eindje naar links weg zodat de Puerto de Arratille, zoals de Spaanse benaming van de col luidt, niet meer te zien was. De grijze puinhelling ging nu over in een lange grote puinhelling van middelgrote roodbruine granieten keien die zich hier hebben opeengestapeld onder de grenskam. Na een poosje zag ik in de verte een hele troep gemzen rondlopen over de puinhelling. Er waren enkele kleine jongen bij die al even goed konden rondhuppelen als de rest van de groep. Ze hadden me duidelijk gezien en vluchtten naar beneden de puinhelling af om zich daar te verstoppen achter de rotsblokken. Het pad begon nu ook geleidelijk te dalen en wat later was ik dicht in de buurt waar ik daarnet de gemzen had gezien. Zoals verwacht kreeg ik er nu helemaal geen meer te zien, hoewel ze hier ergens allemaal dichtbij verstopt zaten. Ondertussen was ik helemaal achteraan in het Valle del Ara terecht gekomen in de kille schaduw van de Vignemale. Hier begon de klim naar de Col des Mulets (2591m) of de ezelsbergpas in het Nederlands. Hier moest ik niet naartoe want deze klim zou me terug Frankrijk inbrengen. Ik volgde dus verder het vage pad dat nog even kronkelend verder naar beneden afdaalde en kwam dan op de grasvlakte uit helemaal beneden in het dalhoofd. Hier werd het pad helemaal onduidelijk en na een poosje wanneer ik reeds uit de schaduw van de Vignemale was gewandeld kwam ik ook geen steenmannetjes meer tegen. Ik stopte even om een blik te werpen op de kaart en maakte van de gelegenheid gebruik om mijn trui uit te trekken en de lange broekspijpen af te ritsen. Volgens de kaart zou het pad iets lager lopen dichtbij de Rio Ara, de rivier door de vallei die hier wat verder omlaag ontspringt. Ik kon de kleine stroompjes water zo uit de berghelling zien borrelen aan de voet van de hellingen van de Vignemale, waarna ze zich verzamelden op de grasvlakte in het dal tot een klein kabbelend riviertje, de Rio del Ara. Toch zag ik ginds beneden helemaal geen sporen van een pad. Een heel stuk verder stroomafwaarts was er echter wel een pad te zien. Omdat ik ondertussen een vaag wandterras was opgewandeld en dus niet meer helemaal beneden door het dal liep, besloot ik dus om even steil de helling van het terras af te dalen zodat ik me weer zo goed als beneden in het dal bevond. Zo kwam ik weer op een grote grasvlakte uit en hier was het dat er opnieuw af en toe een vaag paadje zichtbaar werd in het gras. Ik besloot dus om het te volgen.
Na een poosje liep ik op een breed terras door de vallei. De Rio Ara stroomde nu ondertussen links van me door een diepe nauwe kloof. Nu zag ik dat het eigenlijke wandelpad, net zoals ook op de kaart stond aangegeven, aan de overkant van de kloof liep. Ik kon het pad niet meer bereiken want er was helemaal geen mogelijkheid om de kloof over te steken en een eindje teruglopen ging ik niet doen. Ik besloot dus maar om het vage pad, wat eigenlijk een koeienpad was, over dit terras maar verder te volgen. Er lagen overal verspreid veel koeienvlaaien, maar de koeien zelf waren nergens te zien.
Een eindje verderop moest even in een klein zijdalletje afgedaald worden waarin een klein riviertje naar de Rio Ara stroomt. Al even snel als ik het dalletje ingedaald was, was ik het weer uitgeklommen en zo maakte de tijdelijke verweerde kalkstenen ondergrond opnieuw plaats voor de volgende grasvlakte. Een heel stuk verder op deze vlakte, zo goed als op het einde ervan, was een meters hoge stok geplaatst die geverfd was in verschillende kleuren om in de winter de sneeuwdikte te kunnen aflezen. Hier stopte ik even om op de kaart te kijken hoe ik verder zou gaan, want wat verder rechts kwam hier nu het Valle de los Batans in het Valle del Ara uit. Hier rechts in de verte, een eind hogerop op de berghelling merkte ik ook een steil stijgend pad op en het was overduidelijk dat dit de route was naar de Collado del Letrero, waar ik dus naartoe wou. Eigenlijk had ik geluk dat ik de hele tijd de westelijke zijde van de vallei ben gevolgd en niet het echte wandelpad had genomen dat langs de oostelijke zijde van de Rio Ara liep want nu kon ik een heel stuk van het wandelpad verder door het Valle del Ara afsnijden en rechtstreeks naar het pad klimmen dat me naar de Collado del Letrero zou brengen. Ik bekeek de berghelling aandachtig om de beste route uit te stippelen die me tot bij het pad zou brengen. De met gras beklede berghelling was redelijk steil en dicht bezaaid met grote rotsblokken, maar er was een plek waar de helling niet al te steil leek en hier lagen toevallig ook geen rotsblokken. Hier ging ik dus naartoe.
Ik verliet het terras in het dal en begon dan heel steil te klimmen op de helling over het door koeien duidelijk kort gegraasde gras. Omdat de helling heel steil was klom ik in zigzagbewegingen naar boven. Niet veel hoger, wanneer ik de helling opgeklommen was, kwam ik op een rug uit waarop ik rechts afsloeg en op het pad stootte dat van links kwam omhoog gestegen. Nu zag ik links beneden ook het Ibon Bajo de los Batans liggen, het laagst gelegen meertje van de Batans-meertjes. Het hoger gelegen meertje zal ik zo dadelijk bereiken.
Al gauw begon dit pad verder steil te stijgen en verliet zo weer de rug. Het pad was tot een diepe geul in de berghelling geërodeerd. Hoe hoger ik klom, hoe meer van het boomloze Valle del Ara verder daluitwaarts zichtbaar werd. Na een poosje cirkelden al spelenderwijze enkele Alpenkauwen boven me terwijl ze hun typische korte schelle roep lieten horen. Af en toe stopte ik even op deze steile klim om op adem te komen want het was erg vermoeiend om zo steil te klimmen met mijn nog zeer zware rugzak in de brandende zon. Het was weer zweten. Niet veel later kwam ik op een soort col uit waar het pad ophield. Hier zag ik nu toch verrassend het mooie Ibon de los Batans voor me liggen.
Het ligt ingebed in een zeer ruige omgeving en leek daarom veel ruiger dan het lager gelegen meertje. Slechts vooraan was een stukje fraaie oever aanwezig waar het gras tot aan het meerwater groeide. Verder weg was de omgeving rond het meertje een woestenij van rotsblokken. Vooraan bevond zich een klein schiereilandje en achteraan in het meer bevonden zich enkele kleine eilandjes van ruwe rotsen. Langs de zuidwestkant van het meer verheft zich de woeste granieten bergkam, de Cresta de los Buitres genaamd, of in het Nederlands de Arendsbergkam en langs de noordwestelijke zijde viel een immense puinhelling onder de eveneens indrukwekkende top van de Pico de las Neveras (2902m) tot in het meer. Tussen de Pico de las Neveras en de bergkam die van de Cresta de los Buitres komt, was een bergpas te zien. Dit was uiteraard de Collado del Letrero. Om de col te bereiken moest ik dus verder klimmen over de grote steile puinhelling. Hoewel op de kaart een route staat aangegeven die over de col voert zag ik vanaf de oever van het meer hier geen enkel pad meer en op de puinhelling leek ook geen pad aanwezig te zijn.
Het was ondertussen twaalf uur geworden en daarom legde
ik mijn rugzak neer, een stukje van de meeroever om zo dadelijk te lunchen. Maar alvorens ik hiermee begon liep ik nog even in zuidelijke richting van het meer weg over ruige rotsen tot ik een vijftigtal meter verder op een afgrond stootte. Nu zag ik hier diep beneden weer het Ibon Bajo de los Batans liggen waarvan de waterspiegel fel schitterde in het weerkaatsende zonlicht en had ik tevens ook een mooi uitzicht op het Valle del Ara. Hier nam ik twee foto’s van en liep dan terug naar mijn rugzak waar ik me in het gras neerzette en begon te eten, terwijl ik in het oosten nog steeds kon genieten van het frontale uitzicht op de Vignemale. Het was erg warm weer, vrijwel geen wind en de zon scheen fel onder een blauwe hemel die toch met heel wat sluierwolken gevuld was.
Wanneer ik gegeten had bestudeerde ik de puinhelling waarover ik dadelijk naar de col moest gaan klimmen. Het leek wel de moeilijkste klim te gaan worden die ik ooit al had ondernomen op weg naar een col. Om één of andere reden deed het uitzicht van de klim naar de Collado del Letrero me wat denken aan de klim naar de Simmingjoch twee jaar geleden in de Stubaier Alpen, hoewel zo’n ferme puinhelling daar toen wel ontbrak. Eigenlijk had ik nog nooit een zulke grote en ruige granieten puinhelling opgeklommen. Zoals traditioneel lagen de grootste rotsblokken onderaan en des te hoger op de helling des te kleiner de aanwezige rotsblokken waren. Midden in de puinhelling bevond zich nog een smalle strook gras. De beste route leek me om eerst niet al te steil te klimmen tot aan de onderkant van de grashelling, om dan vervolgens steil over deze grashelling te proberen een stuk pal naar boven te klimmen en dan tenslotte de laatste strook van de puinhelling aan te vatten naar de col, maar dit laatste stuk was niet zo duidelijk te zien vanaf mijn rustplaats. Het leek erop dat dit laatste stuk het moeilijkste ging worden met veel losse stenen. De eigenlijke col zelf lag blijkbaar nog verscholen achterin een couloir.
Ik dronk nog een paar slokken en maakte me dan klaar om te vertrekken. Het was dan 12h30. Mijn watervoorraad was bijna op merkte ik, maar ik besloot om hem nog niet aan te vullen met water uit het meer hier om gewicht te sparen voor de steile klim. Achter de col lagen immers nog genoeg grote bergmeren om later vandaag water aan te vullen.
Ik vertrok op pad. Op de plaats waar ik de puinhelling betrad zo goed als op gelijke hoogte met de waterspiegel van het meer merkte ik tot mijn verbazing nog een steenman op. Aandachtig keek ik of er verder toevallig ook geen meer te bespeuren waren op de grote rotsblokken, maar hoe goed ik ook keek, er was verder geen steenman meer te bekennen. Zoals ik dan besloten had klom ik geleidelijk van de ene rotsblok op de andere in de richting van de onderkant van de grashelling. Het was bij momenten een mooie evenwichtsoefening. Het zicht op het meer en de Cresta de los Buitres aan de overkant bleef wel steeds de moeite.
Na een poos kwam ik onderaan op de grashelling aan. Eigenlijk groeide er zo veel gras niet. Slechts enkele stugge sprietjes en wat mossige plantjes tussen het fijne gruis van graniet. Nu probeerde ik hier natuurlijk steil omhoog te klimmen en deze uitgestippelde route van me bleek van hieruit nog eens de beste te zijn want het verdere stuk van de puinhelling was hier zeer steil en zeer moeilijk overbrugbaar. Verder naar beneden was een geul in de helling te zien die tot in het meer neerdaalde. Zoals verwacht was het niet altijd even gemakkelijk om recht naar omhoog te klimmen op de grasachtige helling hier. Door de vele kleine losliggende granieten steentjes was het opletten waar je je voeten neerplaatste of je schoof op de steentjes uit. Het werd dus een beetje zigzaggend laveren over de beste route. Wat hogerop ging de helling terug geleidelijk over in de puinhelling, maar dan met kleine stenen. Ik ging dus niet tot helemaal bovenaan, maar tot op de plaats waar ik zag dat het laatste stuk over de puinhelling naar de couloir, waarin de col verscholen lag, niet meer moeilijk overbrugbaar was. Dus hier betrad ik de puinhelling opnieuw. Omdat ik dit keer een stuk hoger was ging het nu over middelgrote rotsen verder. Het laatste stuk de couloir in werd wel erg steil, maar echt moeilijk was het niet.
Wanneer ik in de couloir was besloot ik om een stukje naar links te klimmen waar ik op de vaste rots terecht kwam en gemakkelijker kon verder klimmen dan op het slagveld van grote ruige opeengestapelde rotsblokken op de bodem van de couloir zelf. Het zicht op het Ibon de los Batans en de omgeving er rond werd nu gesloten, hoewel het geen couloir was met steile diepe wanden. De col leek nog een heel eindje verder af te liggen, verder dan verwacht.
Ik klom dus matig steil verder in de linkerkant van de couloir, soms over de vaste rots, soms noodgedwongen over en tussen de grote rotsblokken. Na een poosje kwam ik op de plek uit waar ik al geruime tijd dacht dat het de col ging zijn, maar dan kwam plots onverwacht nog een dieper maar minder steil stuk van de couloir te voorschijn. Nog een eindje verder klimmen dus. Dit stuk was vooraan breed en er lag hier nog een groot dik sneeuwveld. Achteraan werd de couloir weer nauwer en daar bleek de col dan toch uiteindelijk te liggen.
Ik daalde een stuk af tot aan het sneeuwveld en doorkruiste het dan. Over harde sneeuw lopen gaat heel wat sneller vooruit dan je weg zoeken doorheen een slagveld van rotsblokken. Het laatste stuk doorheen de couloir werd opnieuw steiler maar al gauw bereikte ik over de minder grote rotsblokken de Collado del Letrero (2651m). Het was nu 13h25.
Uiteindelijk was het geen moeilijke klim geweest, maar wel lang en ruig. Eigenlijk was deze klim sterk gelijkaardig aan deze naar de Brèche de Tuquerouye die ik vorig jaar ondernomen had. Net zoals hier moest ik toen eerst een puinhelling over die meer weg had van een slagveld van rotsblokken, om dan zeer steil een couloir in te klimmen naar de col, met enig verschil dat de puinhelling hier veel groter is, de couloir minder steil en deze tevens met grote rotsblokken gevuld is, in tegenstelling met de couloir onder de Brèche de Tuquerouye.
Het uitzicht van op de col naar het westen was weer totaal anders. Het was een vreemd zicht want ik herkende de bergen niet direct. Ze leken allemaal zo op elkaar, allemaal puntige pieken. Maar na een tijdje zag ik toch dat die ene piramide Gran Facha (3005m) was. De berg er links van moest dan Punta Zarre (2947m) zijn. De Picos del Infierno herkende ik nog niet, maar later bleek dat ze net links verscholen lagen achter de berghelling. Geen enkel van de grote bergmeren van Panticosa kon van hieruit gezien worden. Zij lagen nog diep beneden verscholen. De col zelf was heel vlak en in het midden lag hier zelfs een plasje waar heel wat muggen over zwermden. Naar het noordwesten gaf de col uit op een iets lager gelegen uitgebreid vlak stuk waarachter in het noorden de afgrond lag naar het Ibon del Letrero.
Naar het zuidoosten, de richting van waaruit ik dus kwam, had je geen uitgebreid uitzicht want de rug van de Pico de las Neveras en de bergrug die van de Cresta de los Buitres kwam ontnamen het zicht. De couloir was hier met een diepe V-vorm in de rug ingesneden. De Pico de las Neveras (2902m) leek overigens helemaal niet moeilijk om te beklimmen van hier op de col. Het leek gewoon steil naar boven wandelen.
Ik rustte weer wat uit op de col, keek wat op de kaart, nam enkele foto’s en dronk de allerlaatste druppeltjes vocht uit mijn waterzak op. Toch vulde ik hem nog niet bij met het water van het plasje want het water leek niet zo zuiver. Er lag veel klei op de bodem. Het was duidelijk de restanten van een waarschijnlijk pas gesmolten zomerse sneeuwplak.
Niet veel later vertrok ik weer op pad. Op het vlakke stuk net onder de col stond een grote steenman. Wanneer ik hem dichtbij genaderd was zag ik er wat verder beneden weer één staan. Zo kwam ik iets ten zuiden van het Ibon del Letrero uit (2550m) waar ik nu opnieuw over ruiger terrein verder moest. Een pad was hier nog steeds niet maar af en toe kwam ik wel nog een klein steenmannetje tegen. Langs een rotsige berghelling liep ik nu dus verder tot ik op een terrasje uitkwam waarop tussen de vaste rotsen enkele plasjes lagen. Hier bevond ik me nu boven de westelijke punt van het Ibon del Letrero dat nu eigenlijk rechts achter me lag. Voor me was nu het reuze grote Embalse de Bramatuero Alto (2510m) in zicht gekomen. Dit is één van de grootste bergmeren die hoog in de Pyreneeën te vinden zijn. Het meer is tevens ingedamd geworden zodat het nog groter is geworden in oppervlakte. In de verte zag ik nu ook de Picos del Infierno (3082m). Dit is een zeer bijzondere berg die bestaat uit drie zo goed als even hoge toppen. Het bijzondere aan deze berg is dat hij voor een groot deel uit wit marmer bestaat en dat is wel degelijk zeldzaam. Welke bergen op aarde bestaan er nog uit marmer? Ik ken er geen uit mijn hoofd.
Morgen zal ik deze merkwaardige berg beklimmen. Ondertussen vond ik niet meer hoe ik verder moest want ik was al een poosje geen steenmannetjes meer tegengekomen en verder in de omgeving vond ik er ook geen meer. Ik besloot om naar het grote meer af te dalen en langs de oever verder te trekken want ik moest heel het meer rond langsheen de zuidelijke en westelijke oevers. Dit was wel in strijd met de kaart waarop stond aangegeven dat de vage route niet direct naar het meer afdaalde, maar langer hoger bleef alvorens naar de zuidelijkste punt van het meer af te dalen.
Zoals ik besloten had begon ik dan af te dalen naar het meer over een terrein gedomineerd door rotsen waartussen ook veel gras groeide. Wat lager besloot ik om wat meer naar links af te dalen omdat ik nu had gezien dat de oevers van het meer waar ik naartoe afdaalde erg steil waren. Na een poosje kwam ik dicht bij het meer uit, maar ik bevond me nog steeds redelijk hoog. Op het laatste stuk lag een afgrond zodat ik niet van hieruit tot aan het meer kon komen. Over de grasstukken boven de afgrond op de inmiddels steile berghelling liep ik dan verder naar het zuiden, soms klimmend, soms steil dalend tussen de vaste rotsen tot ik op een punt kwam waar de afgrond onderbroken was.
Hier lag een soort brede couloir met wat lager een puinhelling die tot in het meer viel. Ik keek even of ik langs hier naar beneden kon. Om op de puinhelling te komen moest ik nog een vijf meter afdalen op handen en voeten over een steile rotshelling. Het leek mogelijk zodat ik dus mijn wandelstokken even op mijn rugzak plaatste en op handen en voeten op de rotswand afdaalde tot op de puinhelling. Hier nam ik dan mijn stokken terug en daalde over de puinhelling van losliggende rotsen verder af tot ik aan de meeroever uitkwam. Deze vervolgde ik dan naar het zuiden langsheen de rotswand aan de oever tot ik aan een plek kwam waar de rotswand ophield en een beekje in het meer uitmondde. Hier hield ik even halt om te drinken want ik had ondertussen goed dorst gekregen.
Ik plaatste mijn rugzak op de rotsen, nam mijn colaflesje en dronk een halve liter van het water in één keer op. Daarna vulde ik mijn waterzak weer helemaal vol. Het was hier een ruige omgeving, maar zeer mooi. Het meer was zeer uitgestrekt. Ik bevond me nu zo goed als aan de zuidpunt ervan. In de verte zag ik tot aan de noordelijkste punt. Het is ginds dat de kleine stuwdam zich bevind, die ik straks nog zal moeten oversteken. Van hieruit was ze echter niet meer te zien.
Het leek een erg lange weg te worden langs de oever tot helemaal naar de andere kant. Dit stuk ging zeker meer dan een uur duren, leek het. Na een poosje vertrok ik weer verder op pad. Ik klom de enorme rotsbult over die hier aan de oever lag en kwam dan aan de echte zuidpunt van het meer uit. Hier ontdekte ik opnieuw enkele steenmannetjes op zodat ik opnieuw op de eigenlijke route was terecht gekomen die ik even terug was kwijt gespeeld.
Vanaf nu volgt een stuk over het ruwe rotslandschap langs de westkant van het meer dat nog moeilijk in detail te herinneren valt. Eens liep de route vlak boven de meeroever boven een afgrond, dan weer eens moest er geklommen worden van het meer weg totdat ik op het vlakkere terrein hogerop terecht kwam, dan kwam ik weer eens in een dalletje terecht dat naar het meer toe liep en dat ik weer terug moest uitklimmen, dan werd er weer eens afgedaald tot dicht bij het meer of tot in een kleine inham, of dan nog eens raakte ik de steenmannen kwijt en zocht ik zelf mijn weg verder over en tussen de rotsblokken tot ik plots opnieuw op een steenmannetje stuitte. Zo was het de gehele tijd, over wild terrein verder trekken. Het ging natuurlijk niet zo snel vooruit. Na meer dan een uur wanneer ik voor de verandering nog eens tot bovenaan een grote rotsbult was geklommen, zag ik plots de kleine stuwdam liggen.
Over de vaste rotsenmassa daalde ik af tot aan de kleine stuw, welke ik vervolgens overstak. Ondertussen was het al bijna half vier geworden. De korte dam was gemaakt met grote vast gemetste rotsblokken waar toch op sommige plaatsen water doorheen sijpelde. De top van de dam waarover ik liep was slechts een goeie halve meter breed. Het meerwater kwam zelfs tot een halve meter onder de dam. Het water was heel zuiver en diepblauw. Zelfs in het midden van de dam kon de bodem van het meer welke hier ongeveer een vijf meter dieper lag, ontwaard worden. Aan de overkant van de dam kwam ik zo aan een vervallen houten hutje terecht. Ik keek eens door de deur naar binnen, maar er was niets te zien. Als het regende zou je nog nat worden want het dak bestond uit houten planken met nog veel lange spleten tussenin. Van hieruit zag ik nu ook al een poosje op het lager gelegen Embalse de Bramatuero Bajo (2293m). Dit is het volgende meer op mijn route. Dit meer is eveneens vergroot geworden door een aangebrachte stuwdam, maar het is een stuk minder groot dan zijn hoger gelegen buur hierboven. Ik ontdekte hier nu ook een bergpad dat van het lager gelegen meer in de verte tot hier boven klom. Dit was het eerste bergpad dat ik weer voorgeschoteld kreeg nadat ik urenlang over ruig terrein mijn weg heb moeten zoeken langsheen schaars aangebrachte steenmannetjes. Het pad liep dood op de kleine stuwdam. Vanaf nu had ik dus weer een pad onder mijn voeten en zal ik dus wel sneller vooruit vorderen als de voorbije uren.
Ik trok meteen verder en liep zo over het kronkelende bergpad naar beneden. Zo kwam ik geleidelijk langs de rechterkant dieper in het komdal terecht waarin achteraan het Embalse de Bramatuero Bajo is gelegen. Het pad daalde geleidelijk zigzaggend minder steil verder naar beneden over lange rechte stukken tot ik beneden in het dal bij een uitgebreid moeras terecht kwam. Langs de rand van dit moeras liep ik vervolgens over het pad verder. Midden in dit moeras kronkelde een rustig beekje naar het meer. Dit is natuurlijk het riviertje dat het water uit het inmiddels hoger gelegen Embalse de Bramatuero Alto vervoert naar het lager gelegen Bramatuero meer hier ondertussen niet veel verder. Dan dook het pad het moeras in tussen het drassige gras. Op de plaats waar het beekje het moeras verlaat en opnieuw begint te kabbelen over een rotsige bodem stak ik het riviertje over. Niet veel verder mondde het hier dan vervolgens in het kleine meertje uit dat net voor het Embalse de Bramatuero Bajo gelegen is. Dit kleine meertje passeerde ik vervolgens en dan kwam ik op een kleine grasvlakte uit waarop ik rechts van me het stuwmeer even te zien kreeg, maar niet voor lang want het pad liep al snel een soort gang in tussen een lange rotsbult langs de kant van het meer en de berghelling langs mijn linkerkant. In deze gang lagen heel wat kleine moerasjes en plasjes met ook weer wat pluizend wollegras.
Daarna stuurde het pad me de gang uit en klom ik geleigelijk de hoogte op aan de zuidkant van het meer, zodat ik nu eindelijk een overzicht kreeg over het meer heen. Als ik terugkeek van waar ik kwam herkende ik de Pico de Bramatuero (2900m) en de Pico de las Neveras (2902m), twee bergtoppen waar ik daarstraks dicht bij ben geweest toen ik nog op de Collado del Letrero was. Gezien vanuit het Valle del Ara deze voormiddag lieten deze bergen zich toch van een mooiere kant zien. De Collado del Letrero was nu niet meer te zien. De stuw kwam nu in zicht en over de vaste rotsen volgde ik de steenmannen al afdalend verder tot ik al snel bij de stuwdam uitkwam. Deze stuw was wat langer maar minder hoog dan die van het hoger gelegen Embalse de Bramatuero Alto daarstraks. Het meer leek zelfs bijna over te lopen want de waterspiegel stond hier zelfs slechts een tiental centimeter onder de dam. Ook hier sijpelde weer heel wat water door de dam heen. Aan de voet van de dam was het wat rommelig. Er lagen onder meer enkele verroeste kabels naast de wilde beek waarvan het water hier opnieuw uit een gat onderaan de dam kwam gestroomd.
Ik stak de dam over en rustte dan een tiental minuten uit. Nu was ondertussen verder naar beneden alweer het derde grote stuwmeer in zicht gekomen. Dit is het Embalse de Bachimaña Alto (2207m). Dit meer is weer een reuze groot meer, ongeveer even groot als het Embalse de Bramatuero Alto. Het ligt niet zo ver van het meer vandaan waar ik me nu nog bevond. Ondertussen was het 16h15. Dat was al redelijk laat. Ik was even aan het inschatten om hoe laat ik het Ibon de Azul Superior zou kunnen bereiken, waar ik de komende nacht van plan was te overnachten. De afdaling tot aan het Embalse de Bachimaña Alto zal nog geen half uur in beslag nemen, schatte ik. Vanaf dit meer begint dan de finale klim van vandaag, langs het Embalse de Ibon Azul Inferior (2380m) tot aan het Ibon Azul Superior (2410m), slechts een klim van een 200m. Een dik uur wandelen zal het dus nog zijn voor vandaag.
Na een tien minuten nam ik mijn rugzak weer op en begon aan de redelijk korte afdaling naar het Embalse de Bachimaña Alto. Een echt pad was er nu weer even niet, maar hier en daar waren wel enkele kleine steenmannetjes gestapeld. Ik stak de beek eerst over en daalde dan redelijk steil af over de vaste rotsen. Vervolgens kwam ik op een grashelling terecht die ik verder afdaalde zodat ik beneden terug uitkwam bij de beek die hier veel rustiger voortkabbelde tot in het meer. Net voor de beek werd opnieuw een pad zichtbaar in het gras. Ik stak de beek over via enkele keien en volgde dan het pad verder over de grashelling langs de noordkant van het meer tot ik bij de noordwestelijke punt van het meer uitkwam waar een andere beek via een diepe kloof in het meer uitmondt. Deze beek zal ik nu klimmend moeten volgen want ze vervoert het water dat komt uit de Ibones Azules meertjes.
Ondertussen had ik reeds gemerkt aan de grijze kleur van de rotsmassa vlak boven de waterspiegel van het meer dat de waterspiegel van het Embalse de Bachimaña Alto wel eens hoger staat dan nu het geval was. De grashelling naar het meer toe was ondertussen erg steil geworden. Het water langs de oever was plots maar troebel omdat wat puin verderop toevallig in het meer was gegleden.
Vanaf nu begon het pad dus te klimmen waarbij het meer links van me plaats maakte voor de nauwe kloof met daar beneden de kolkende beek in. Er verschenen meer en meer rotsen tussen het gras op de helling waarover het pad rechtdoor omhoog klom. Na een eindje klimmen, volgde een korte afdaling zodat ik weer op een moerasvlakte terecht kwam waar het riviertje in twee armen rustig doorheen kabbelde. Het pad leidde me tot op het midden van de vlakte naar een houten paal die hier was aangebracht. Het is bij deze paal dat in feite verschillende routes samen komen. Links loopt een pad weer terug naar het Embalse de Bachimaña Alto. Als je dit pad blijft volgen kom je aan de lange afdaling uit die leidt naar Baños de Panticosa, een klein Spaans bergdorpje. Dit pad zal ik overmorgen trouwens nemen want ik zal hier opnieuw op deze moerasvlakte uitkomen. Overmorgen zal ik hier overigens weer terug passeren want het pad komende van de Puerto de Panticosa, of in het Frans de Port du Marcadau, komt hier ook op het moeras uit. Nu had ik dit onopvallende pad echter nog niet opgemerkt en op de kaart is dit pad niet aangegeven.
Maar ik nam nu gewoon het pad verder dat doorheen het moeras verder loopt. Het was een prachtig plekje hier met de steile hellingen van de Picos del Infierno vlak voor me en een kleine klaterende waterval die het water van de beek in het moeras liet storten. Wanneer ik het moeras doorkruist had begon de klim weer verder. Zo klom ik boven de waterval verder opnieuw tussen rotsig terrein. Het ging niet meer zo snel vooruit want ik was ondertussen vermoeid geworden na deze reeds lange dag. Wat verder begon het pad even te zigzaggen en zo kwam ik na een eind een stuk hogerop bij de kleine stuwdam uit van het Embalse del Ibon Azul Inferior (2380m). Voor de verandering moest ik de stuw dit keer niet over. Het was nu 17h15. Dit meer is relatief klein in vergelijking met de reuze meren die ik deze namiddag reeds was tegengekomen. Het water had een groenblauwe kleur en was ongelooflijk helder. Van aan de oever kon je tot ver van de oever vandaan de bodem van het meer zien en die lag zelfs heel diep nabij de kleine dam. De zon stond juist boven de hoogste top van de Picos del Infierno en deed het rimpelende wateroppervlak fel glinsteren. Een twintigtal meter van de meeroever en de dam vandaan stond een klein metalen schuilhutje dat meer weg had van een minicontainer van een vrachtwagen. Ik plaatste mijn rugzak tegen het hutje en ging dan vlak aan de oever van het meer zitten en keek wat rond. Ik was ondertussen erg moe. Even was ik aan het twijfelen of ik hier dichtbij dit meertje niet zou overnachten, maar ik besloot om me aan mijn planning te houden en nog even verder te trekken naar het meest westelijk gelegen meertje, het Ibon Azul Superior.
Na een vijftal minuten stond ik terug recht en liep dan naar het hutje waar ik opnieuw voor nog eens een vijftal minuten ging zitten. Omdat de zon nog steeds niet onder de Pico del Infierno was gezakt kon ik nog steeds geen foto nemen van het meertje. Mijn geduld raakte ondertussen op en zo trok ik uiteindelijk toch een foto die tot mijn grote verbazing nog redelijk lukte ook.
Daarna nam ik mijn rugzak weer en begon het allerlaatste stukje voor vandaag naar
het laatste meertje. Het pad klom even verder langs de zuidkant van het stuwmeertje en niet veel verder zag ik zo plots het andere meertje, het Ibon Azul Superior (2410m) liggen. Het was een wondermooi meertje omringd door twee prachtige toppen, de Picos del Infierno (3082m) en de Pico de Piedrafita (2915m). Tussen deze twee bergen zag ik nu al de Collado del Infierno (2721m), een bergpas voor morgen. Aan de noordzijde van het meertje lag een grote met gras begroeide alluviale delta waarover een riviertje stroomde dat in het meer uitmondde.
Ik daalde rustig af tussen het rotsige terrein over het pad tot ik op de vlakke delta aankwam. Hierop bevonden zich enkele met keien omzoomde kampeerplekjes. Dit keer was ik de enige hier. Ik wou mijn tent zo dicht mogelijk nabij de meeroever opstellen om niet te ver te hoeven lopen voor water. Zo liep ik naar het andere eind van de delta waarbij ik enkele ondiepe stroompjes overstak. Het was ondertussen bijna zes uur geworden. Wanneer ik op de plaats stond waar ik mijn tent zo dadelijk ging opstellen keek ik eens even goed rond. Ook hier was het meerwater ongelooflijk helder. Het had een groenblauwe kleur en het rimpelde zachtjes onder toedoen van een heel zacht briesje. Naar het oosten had je een wijds uitzicht. De Vignemale (3298m) torende weeral overal bovenuit. En dan had je de Picos del Infierno met zijn marmeren strook, het bruine metamorfe gesteente bovenaan en de nog steeds aanwezige sneeuwvelden. Oostwaarts gingen de bruine hellingen van de Infierno over in een woeste grijze granieten bergkam. Dit was ongetwijfeld de prachtigste omgeving waar ik ooit al gekampeerd had.
Vervolgens stelde ik mijn tent op. Het ging niet goed want de piketten konden niet diep in de stenige ondergrond geduwd worden. De ondergrond bestond uit een mix van keitjes waarop een vochtig tapijt van mos en gras groeide. Uiteindelijk ben ik nog een eindje verder keien moeten gaan halen om de lijnen van mijn tent strakker te kunnen laten spannen. Deze keien vond ik een eindje verder op de delta bij een kleine kampeerplek. Wanneer mijn tent recht stond en ik al mijn spullen had geïnstalleerd begon het al snel fris te worden wanneer de zon achter de Picos del Infierno wegzakte en een kille schaduw het meer langzaam verder veroverde. Het werd volledig windstil, net als gisterenavond aan het Lac de la Badète. Ondertussen kon ik genieten van een achtergrondlawaai van gebleit en bellengerinkel want plots waren enkele schapen verschenen bovenaan op de berghelling in het westen. Zij kwamen van achter de bergrug tevoorschijn waarachter de Collado del Infierno verscholen ligt. Al gauw kwamen ze met zijn allen naar mijn richting toe zodat niet veel later een kudde van wel honderden schapen op de berghelling te zien was.
Ondertussen klom ik even de berghelling op om enkele foto’s te nemen van de
omgeving. De schapen gingen angstig voor me uit de weg. Terug beneden ging ik in mijn tent liggen en begon dan water te koken voor mijn avondeten. De schapen trokken zich geleidelijk weer terug en na een dik uur wanneer ik mijn eten net op had gegeten waren ze weer allemaal verdwenen. Weer kleurde de Vignemale plots helemaal rood onder toedoen van de late avondzon. Het was weer muistil en het wateroppervlak van het meer was ondertussen één gladde spiegel geworden door de windstilte. Ik poetste mijn tanden en liep dan nog een tijdje rond in de omgeving van mijn tent terwijl het ondertussen al snel donker werd. Zo zag ik dat de hemel boven de Pico de Piedrafita even in een roze tint kleurde. Daarna werd het pikkedonker. Ik kroop dus mijn tent in en ging slapen. Het was dan reeds 20h30.
Het was een lange dag geweest en ik was erg vermoeid. Veel mensen was ik vandaag ook niet tegengekomen. Na de Engelse groep deze ochtend had ik geen levende ziel meer gezien. Ik had een serieuze afstand afgelegd vandaag en twaalf grote en minder grote bergmeren tegen gekomen. Als een blok viel ik dus meteen in slaap. Morgen ging eveneens weer een zware dag aanbreken met één van de spannendste hoogtepunten van de hele trektocht: de beklimming van de Picos del Infierno (3082m).
Afstand : 17,0km
Duur : 7h40
Klimmen : 1651m
Dalen : 1641m
Bergpassen : Collado del Infierno (2721m), Collado de Tebarray (2740m), Col de la Fache (2664m)
Bergtoppen : Picos del Infierno (3082m), Gran Facha (3005m)
Op de derde wandeldag vandaag zal ik enkele bergtoppen gaan beklimmen. Met de Picos del Infierno (3082m) zal ik alvast beginnen deze ochtend. Daarna zal ik afdalen naar de meren van Campoplano, dicht bij de Balaïtous (3146m), de meest westelijk gelegen berg in de Pyreneeën die meer dan 3000m telt. Hier wilde ik alvast ook Gran Facha (3005m) beklimmen, indien ik zover reeds zou geraken vandaag. Waar ik de komende nacht dan zou gaan overnachten wist ik nog niet goed, ofwel aan de Spaanse Ibones de la Faixa of anders reeds over de grenskam aan het Franse Lac de la Fache, beide aan de voet van Gran Facha gelegen.
Die ochtend piepte mijn horloge weer om 7h00, toch begon ik me pas aan te kleden omstreeks 7h30. Het was 4°c. Toen ik naar buiten keek en het langzaam lichter werd, zag ik plots drie mensen over het pad lopen achteraan op de delta in de richting van de Collado del Infierno. Zij waren ongetwijfeld deze nacht reeds vertrokken in het dorpje Baños de Panticosa om de Pico del Infierno te beklimmen, die Spanjaarden toch. De lucht was dit keer pas echt volledig onbewolkt. De donkerblauwe kleur was nu sterker aanwezig dan nooit tevoren. Zelden had ik reeds zo’n felblauwe lucht gezien. Het was nog steeds volledig windstil. Dit kon alleen maar een mooie dag gaan worden. De zon was nog niet over de bergen gerezen in het oosten. Ik begon alvast water te koken voor een cruesli-ontbijt.
Geleidelijk raakte enkele zonnestralen de bergtoppen op de grens met Frankrijk en ook de top van de Picos del Infierno kleurde rood, waarna de zonnestralen de berg steeds lager verwarmden. Ik bleef dit schouwspel maar aanschouwen vanuit de slaapzak in mijn tent terwijl mijn water langzaam opwarmde. Heel langzaam ging het. Ik wist dat dit deze ochtend ging gebeuren. Daarom had ik mijn tent zo geplaatst dat ik vanuit mijn slaapzak doorheen de tentdeur pal op de Picos del Infierno keek. De zon stond achter de Vignemale zag ik duidelijk. Andere bergen in de omgeving vingen reeds volop zon, maar de Vignemale wierp zijn kilometers lange schaduw net tot hier op het Ibon Azul Superior zodat ik het langst moest wachten op zon. Uiteindelijk gebeurde het dan toch. De zon kwam tevoorschijn van achter de Vignemale en zo werd het al snel aangenamer in de koude lucht. Wanneer ik mijn ontbijt op had kroop ik uit mijn slaapzak, deed mijn schoenen aan, jas, handschoenen en muts. Vervolgens brak ik de tent af en plaatste alles in mijn rugzak. De kudde schapen lieten zich ondertussen weer horen. Dit keer kwamen ze piepen van achter de bergrug op de plaats waar het beekje de delta opstroomde. Het was reeds enkele minuten voor negen wanneer ik klaar was en vertrok.
Ik moest net naar de schapen toe. Wanneer ik het dalletje indraaide dat in
feite werd gevormd door de fossiele morenewand van de gletsjer van de Picos del Infierno, zag ik de hele kudde. Hier stootte ik nu op het pad dat naast enkele steenmannen ook met enkele rode verfbolletjes van het GR11 gemarkeerd was. Het pad liep het hele dalletje door zodat ik de hele kudde opjoeg. De schapen zouden blijkbaar wel eens dringend geschoren moeten worden. Geleidelijk liep het pad links de helling op tot ik aan de voet van een puinhelling kwam net onder de Pico de Piedrafita (2915m). Hier moest ik beginnen aan een steile klim. Het pad kronkelde zigzaggend over de puinhelling naar boven langs enkele kleine sneeuwvelden en zo kwam ik in het woeste dalletje terecht dat gekneld ligt tussen de Pico de Piedrafita rechts van me en de Picos del Infierno links van me. De Collado del Infierno ligt achteraan hogerop in dit dalletje en was vanaf nu te zien.
Ondertussen zat de korte steile klim erop. Nog even liep ik hier over een duidelijk pad dat vrijwel vlak verder het dalletje inloopt.
Maar al gauw liep dit pad dood op weer zo’n slagveld van rotsblokken. Ze hadden verschillende kleuren, sommigen licht grijs, sommigen donker grijs en sommigen bruinrood. Een mengelmoes van graniet en metamorfe gesteenten dus. Links werd nu een kleine gletsjer zichtbaar die in een mooie nis ligt ingebed in het witte marmer van de Picos del Infierno. Dit zijn de laatste restanten van de gletsjer van de Picos del Infierno. Ondanks dat ik gelezen had dat sommigen beweren dat de Picos del Infierno geen gletsjer draagt, moest ik nu vaststellen dat er wel degelijk één is. Rechts van de gletsjer lag nog een groot sneeuwveld in een nauwere nis. Meer naar beneden lag een mooi gevormde zijmorene. Deze morene raakte tot aan de grote puinhelling onder de Pico de Piedrafita.
Hierover klom ik nu verder. Het pad bleef tussen de middelgrote rotsblokken beneden in het laagste punt wel vrij duidelijk verder lopen, ondanks het verdwijnen van de steenmannetjes en de verfbolletjes. De Collado del Infierno verdween nu even uit het zicht. Wat verder kwam ik aan een vage splitsing. Het paadje was inmiddels minder duidelijk geworden, maar bleef verder stijgen beneden door de V-vormige dalbodem. Rechts echter bleek nu ook een ander onduidelijk paadje steiler naar omhoog te stijgen over de losse puinhelling onder de Pico de Piedrafita. Dit laatste paadje nam ik. Steil klom ik dus verder, maar na een poosje was niks meer van een paadje te bemerken en was ik gewoon op het gevoel over losse stenen op de puinhelling verder aan het klimmen. Links beneden zag ik nu dat ik beter links had gehouden omdat dat toch de eigenlijke route was en niet diegene die ik nu genomen had. Ik kon tevens niet goed meer verder want de stenen lagen los en schoven soms zelfs wat naar beneden als ik een pas verder zette. Ik besloot dus om terug naar het vage paadje te gaan beneden op de bodem van het kleine dalletje. Maar dit deed ik niet door af te dalen. Ik probeerde op gelijke hoogte te blijven op de puinhelling zodat ik straks weer geen onnodige meters moest klimmen door een dommigheid.
Zo kwam ik toch redelijk gemakkelijk terug op de juiste route uit. Ik klom niet al te steil verder terwijl de morenewand links over ging in een gewone puinhelling zodat wat later het dalletje eerder een open couloir werd en de Collado del Infierno weer in zicht kwam. Achter me kwamen door het stijgen enkele van de bergmeren in zicht die ik gisteren van dichtbij had gezien, alsook de Vignemale natuurlijk. Wat verder verloor ik het vage paadje weer even en klom ik weer wat hoger naar rechts, maar al snel zag ik de route weer opnieuw. Niet veel later kwam ik omstreeks 10h00 op de Collado del Infierno (2721m) aan waar een ovaalvormige muur van stenen was gebouwd door mensen die hier ooit eens moeten overnacht hebben. Op de col blies een flauwe frisse wind uit het westen. Bij een terugblik zag ik beneden het Embalse de Bachimaña Alto (2207m) liggen en het Embalse de Bramatuero Bajo (2293m). De Vignemale torende weeral overal bovenuit. Het is niet voor niets dat men deze berg wel eens de koning van de Pyreneeën noemt. Naar de andere kant zag ik nu op een diep ingebed ringvormig meer, het Ibon de Tebarray (2690m). Het lijkt op een soort kratermeer, donker, ondoorzichtig, waarschijnlijk erg diep en omringd door lange bruine puinhellingen die overal tot in het meer vallen. Er lagen geen sneeuwvelden meer aan het meer, hoewel het meer ervoor bekend staat om zelfs nog in juli bedekt te zijn met stukken drijvend ijs. Koud leek het in elk geval wel. Er is geen riviertje dat dit meer verlaat. Aan de overkant van het meer ontnamen de bruine steile hellingen van de Pico de Tebarray (2916m) het uitzicht. Rechts tegen de helling boven het meer liep het pad van de col hier verder naar de volgende col, de Collado de Piedrafita (2740m) of ook wel de Collado de Tebarray genoemd. Laten we die laatste naam maar gebruiken. Deze col zal ik straks over moeten want hierachter ligt de afdaling naar de meren van Campoplano.
Nu draaide ik echter van op de Collado del Infierno naar links, om het hoekje als het ware. Hier liep een pad over de rotsige helling geleidelijk verder naar omhoog, af en toe gemarkeerd met een steenmannetje. Hier begint de finale klim van de Picos del Infierno. Na een vijftigtal meter op dit pad plaatste ik mijn rugzak dan neer tussen de stenen en rotsen. Mijn zware rugzak ging ik niet meesleuren naar de top. Dat zou trouwens erg gevaarlijk zijn ook. Ik dronk nog een paar slokken, trok mijn jas uit en vertrok dan verder met mijn wandelstokken. Ik keek nog enkele keren goed om om de plek waar mijn rugzak stond in het hoofd te prenten. Het pad steeg niet al te steil een beetje kronkelend, maar niet zigzaggend, verder omhoog tussen losliggende stenen een stuk onder de ruige bergkam. Na een poosje werd het pad toch onduidelijk en klom ik maar op het gevoel verder. Af en toe leek ik nog een steenmannetje tegen te komen. Het uitzicht naar het westen opende zich nu over de Pico de Tebarray en zo werd de Pic du Midi d’Ossau (2884m) zichtbaar, de eerste keer tijdens deze tocht dat ik het symbool van de Pyreneeën zag. De Franse valleien waren gevuld met een deken van laaghangende wolken zag ik even later.
Uiteindelijk was ik tot dicht bij de kam geklommen. Hier was het moeilijker om vooruit te komen want de rotsige helling maakte hier plaats voor grote steile vaste rotsen. Op een gegeven punt kwam ik pal op de kam uit. Er blies plots een strakke noordenwind. Het zicht was wel magnifiek want ik zag nu de hele noordwand van de Picos del Infierno, met een stukje van de gletsjer en het woeste dalletje waar ik zonet doorheen naar boven ben geklommen naar de Collado del Infierno. Ik moest hier echter wel niet zijn want aan de andere kant van de kam lag een verticale afgrond van meer dan honderd meter diep. Toen ik pal naar benden keek zag ik dat ik me nu net boven het grote sneeuwveld in de nauwe nis bevond. Ik daalde dus maar terug wat af langs de kant waar ik kwam en vervolgde dan onder de kam wat lager verder naar het zuiden tot ik uiteindelijk op een secundaire top aankwam op 2987m hoogte.
Het waaide hier weer fel. Op deze top maakt de kam een knik naar het zuidoosten en stijgt dan verder naar de meest westelijke top van de Picos del Infierno waar ik nu plots een frontaal zicht op had. Dit is de Pico del Infierno Norte (3072m). Ik zag beweging op de top. Drie mensen stonden op de top rond te kijken, maar al gauw verdwenen ze op weg naar de middelste top, de Pico del Infierno Central (3082m), welke het hoogste punt is van de Picos del Infierno. Dit waren ongetwijfeld die drie mensen die ik deze ochtend had zien voorbij trekken aan mijn tent. Mijn wandelstokken waren meer een last geworden dan een nut want ik had ondertussen meer op handen en voeten moeten klimmen dan met stokken. Ik had spijt dat ik ze meegezeuld had en liet ze hier nu dus op deze secundaire top liggen om ze straks op de terugweg opnieuw op te pikken. Even vervolgde ik de kam voor een tiental meter in de richting van de Infierno Norte en toen gebeurde het plots.
De felle wind blies mijn muts van mijn hoofd. Ze ging de lucht in, wel een tien meter hoog en dwarrelde dan in een terugkerende beweging naar beneden zodat ze een tien meter lager langs de zuidkant van de kam neerviel op de rotsen. Ze leek bereikbaar en zo daalde ik dus snel steil af naar beneden alvorens ze misschien voor goed zou weggeblazen worden. Ik had ze gelukkig terug en zette ze nu steviger op mijn hoofd. Dan steeg ik weer opnieuw enkele meter om dan verder af te dalen van de kam weg want ik had ondertussen de route opnieuw gezien. Ze liep een twintigtal meter lager. Al snel was ik opnieuw op de route afgedaald. Ze moest dus van rechts achter de secundaire top komen. Ik vervolgde het pad verder naar de top van de Infierno Norte. Het bleef vrijwel steeds op gelijke hoogte verder lopen over de steile helling. Al snel kwam ik aan het witte marmeren gesteente terecht. Hier ging het een beetje klimmend over verder. Bij regenweer zou dit doodsgevaarlijk zijn want het marmer is dan glad en een slipper overleef je hier wellicht niet. De afgrond naar beneden was zeer diep. Diep beneden ligt het uitgestrekte bekken dat in het zuiden begrensd wordt door de Sierra de la Partacua. Ik kon hier zo’n 1700m dieper een dorpje zien liggen, dat was Sallent de Gallego (1290m). Al snel kwam ik op een soort kleine col uit op een hangende rug waar het marmer opnieuw plaats maakte voor het bruinrode metamorfe gesteente. Hier zag ik nu verassend het overweldigende zicht op de noordwand van de Pico de Garmo Negro (3051m) met aan zijn voet de zuivere blauwe Ibones de Pondiellos (2720m) waar nog enkele sneeuwvelden lagen. De bodem van de lang uitgestrekte meertjes was vrijwel overal te zien, zo helder was het water. De top van de Infierno Central kon ik nu ook van hieruit zien, waar de drie mensen zich nu ondertussen op bevonden.
Ik bevond me nu minder dan honderd meter onder de top van de Infierno Norte. Hier begon nu het steile finale stuk waar ik op handen en voeten over de steile rotshelling met veel losliggende stenen mijn weg naar boven verder zocht. Hier en daar was nog een steenmannetje aangebracht. Na dit klauterwerk kwam ik op de top van de Pico del Infierno Norte (3072m) uit en ontmoette hier weer een strakke noordenwind en een grote steenman in het midden van de top. Het was nu net 10h50 geworden. De drie mensen hadden ondertussen de Infierno Central verlaten en klommen via de col tussen de Infierno Central en de Infierno Oriental naar deze derde en meest oostelijke top van de Picos del Infierno.
Het uitzicht was zonder twijfel fantastisch en zeer weids.
Een beschrijving van dit uitzicht is niet echt nodig want de vele foto’s spreken voor zich. De Pic du Midi d’Ossau (2884m), Balaïtous (3146m), Gran Facha (3005m), Pic d’Ardiden (2988m), Vignemale (3298m), Pico de Marboré (3248m), Taillon (3144m), Monte Perdido (3355m), Pico de Tendeñera (2853m), tot zelfs Posets (3375m), de tweede hoogste top van de Pyreneeën en Cotiella (2912m), en nog veel meer, ik kon ze allemaal zien. De Franse dalen, met een wolkendeken gevuld en diep beneden zag ik het Ibon Azul Superior (2410m) liggen waar ik deze nacht overnacht had en slechts een twee uur geleden nog was. Ik trok snel enkele foto’s op deze top en betrad dan de smalle kam om zo naar de Infierno Norte te lopen. Deze kam bestaat weer uit marmer. Slechts hoogstens een meter breed is het randje op de kam, soms zelfs nog minder. Links en rechts gaapte een diepe afgrond. Bij een stormachtige wind of regenweer is dit levensgevaarlijk. De wind blies nu ook wel hard, maar helemaal niet fel genoeg om me uit evenwicht te brengen. Het was een lang stuk.
Na een kleine tien minuten kwam ik uiteindelijk op het hoogste punt uit,
de Pico del Infierno Central (3082m) die opnieuw uit het bruinrode gesteente bestaat net als de Infierno Norte. Hier nam ik weer veel foto’s en keerde dan weer snel over de smalle kam terug naar de Infierno Norte. De drie mensen waren inmiddels aan hun afdaling begonnen van de Infierno Oriental. Je kan de berg ook beklimmen of afdalen vanuit het zuiden, komende van de Ibones de Pondiellos. Deze route is echter moeilijker dan de route die ik beklommen had. Zij hadden ook duidelijk touwen, helmen en ander klimmateriaal bij.
Terug op de Infierno Norte begon ik meteen met de lange afdaling. Zo daalde ik steil op handen en voeten af over de rotsen tot op de col op de hangende bergrug. Voorts stak ik de col over en kwam zo weer op het marmeren stuk uit waar de route weer niet al te duidelijk was. Vaak met behulp van mijn handen daalde ik zo verder lichtjes af naar het westen tot ik opnieuw op het bruinrode gesteente uitkwam. Hier vervolgde ik verder het vage pad dat vlak verder liep tot ik na een poos op een afgrond stuitte net onder de secundaire top. Hier was ik daarstraks al niet meer geweest. Hier had ik nu een mooi uitzicht op het Ibon de Tebarray. De route was weer zoek. Opeens kwamen er twee Spanjaarden even terug van links zeer steil naar boven geklauterd. De onderste van hen had een helm op en beide waren ze aan elkaar vastgemaakt met een touw. De route moest hier dus naar boven komen. Toch zag ik al snel dat de twee Spanjaarden de route kwijt waren geraakt want ik ontdekte plots dat de route niet naar boven kwam langs waar zij naar boven klauterden, maar dat deze een tiental meter dichter bij de afgrond van links in een ondiepe, maar steile couloir naar boven kwam. De Spanjaarden zaten niet meer juist en waren dus zomaar wat aan het doen, zoals ik daarstraks op weg naar de secundaire top. Ik besloot om nu eerst een route te zoeken waar ik rechts naar boven kon klimmen naar de secundaire top zodat ik mijn wandelstokken opnieuw kon oppikken.
Het stuk langs waar ik daarstraks naar beneden ben gekomen vond ik niet direct meer terug, maar niet zo ver van de couloir langs waar ik dadelijk naar beneden moet liep er een andere ondiepe couloir steil naar boven. Hier klom ik in naar boven over nogal veel losliggende stenen. Al snel had ik de twintig meter naar boven overbrugd en vond ik mijn wandelstokken weer terug op de secundaire top. Dan ging ik weer over hetzelfde stuk naar beneden. Daar zette ik mijn weg vervolgens verder door steil verder af te dalen door de andere steile couloir waar eveneens veel losliggende stenen in lagen. Toch was dit de normale route. Wanneer ik onderaan deze couloir was aangekomen maakte de route een flauwe bocht naar rechts en daalde minder steil verder langsheen de berghelling met de diepe afgrond links van me en de steiler dalende bergrug rechts boven me. Niet veel verder kwam ik zo aan een bres uit in de bergrug. Hier moest ik door en vervolgens even zeer steil dalen over de rotsen waarbij ik weer meermaals mijn stokken in één hand moest nemen om met behulp van mijn handen te kunnen afdalen. Zo kwam ik wat lager weer op de helling terecht van losliggende stenen en rotsen onder de bergkam waarvan de secundaire top het hoogste punt is. Hier vervolgde ik het pad dat nog een heel eind hoog boven het Ibon de Tebarray verder kronkelend afdaalde. Dit keer was het pad beter te volgen en raakte ik het niet kwijt zoals tijdens de klim. Onderweg kruiste opnieuw nog drie Spanjaarden mijn weg. Zij klommen verder naar de top. Uiteindelijk was ik al ver genoeg afgedaald en zag ik mijn rugzak in de verte staan. Al snel was ik terug beneden. Daar pikte ik mijn ongeschonden rugzak opnieuw op, nadat ik nu mijn muts en handschoenen had uitgedaan en vervolgde dan het laatste stuk naar de Collado del Infierno (2721m) waar ik omstreeks 11h50 opnieuw aankwam. De drie Spanjaarden van daarnet hadden eveneens hun kleinere rugzakken achtergelaten even verder van de col. Ik dacht trouwens eerst dat één van de rugzakken toen ik ze reeds van ver zag, iemand was die aan het uitrusten was, maar toen ik dichter was zag ik toch dat het allemaal rugzakken waren.
Op de Collado del Infierno vervolgde ik meteen mijn weg verder over het licht stijgend pad dat over de steile puinhellingen boven het Ibon de Tebarray verder loopt naar de Collado de Tebarray (2740m) die ligt gekneld tussen de Pico de Tebbaray (2916m) en de Pico de Piedrafita (2915m). Ondertussen waren er al een tijdje een hele troep Spanjaarden aangekomen op deze Collado de Tebarray. Zij moeten deze ochtend vroeg van de Refugio Respumoso, gelegen in de Campoplano laagte, vertrokken zijn. Een deel van de groep bleef op de col wachten terwijl de rest verder klom naar de top van de Pico de Tebarray. Het laatste stuk naar de col werd plots zeer steil. Er lagen veel losliggende fijne steentjes op het pad zodat het wat langzamer vooruit ging. Het allerlaatste stuk ging een stukje zeer steil omhoog zodat ik weer even gebruik moest maken van mijn handen. De Spanjaarden zaten een eindje van de col vandaan, terwijl de rest van de groep ondertussen de top van de Pico de Piedrafita had bereikt. Er was geen uitzicht naar het noorden. De col was eigenlijk een nauwe bres die naar het noorden uitgeeft op een steile en nauwe couloir. Ondertussen was het 12h00.
Deze couloir moest ik nu indalen zodat het zicht op het Ibon de Tebarray en de Picos del Infierno nu ophield. Langzaam ging ik hier naar beneden, zo goed mogelijk op mijn wandelstokken steunend want de couloir was gevuld met veel losliggend gruis dat kon wegglijden als je niet voorzichtig bent. Beneden aan de ingang van de couloir opende het zicht zich. Voor me doemde nu het dalhoofd van Llena Cantal op waarin wilde puinhellingen te zien waren met bovenaan nog enkele kleine sneeuwvelden. Dit dalhoofd is omzoomd door enkele hoge pieken die niet allen te zien waren: de Pico de Llena Cantal (2956m) en de inmiddels bekende Pico de Piedrafita (2915m) en Pico de Tebarray (2916m). De Balaïtous kwam links in zicht over de laagte van Campoplano. Hier onderaan de couloir draaide het pad met een rechte hoek naar rechts, daalde dan een tiental meter verder steil naar beneden en maakte dan een haarspeldbocht naar links waarna het verder iets minder steil rechtdoor naar beneden daalde over een lange grijze puinhelling onder de Pico de Tebarray. Beneden voor me lag het Ibon de Llena Cantal (2430m) in een grasvlakte. Een klein beekje kwam van onder het puin gestroomd en mondde over een brede delta in het kleine meertje uit. Het uitzicht viel pal op het Balaïtous Massief en beneden in de verte zag ik de Refugio Respumoso (2160m) liggen die voor de Spanjaarden meestal dient als uitvalsbasis voor een beklimming van de Balaïtous. Na een heel stuk rechtdoor afgedaald te zijn over fijne steentjes stootte ik nu op rotsblokken. De route liep even over en tussen deze rotsbokken verder tot ik niet veel verder meer en meer gras onder mijn voeten kreeg reeds dicht bij het Ibon de Llena Cantal.
Dit meertje passeerde ik langs de westkant en daarna daalde ik ten noorden van het meer weer verder niet zo steil naar beneden.
Even liep het pad al zigzaggend naar beneden over de steile grashelling, later liep het rechtdoor verder wanneer de grashelling niet meer zo steil was, tot ik bij het riviertje uitkwam dat van het Ibon de Llena Cantal kwam en van rechts kwam aangestroomd. Ik stak het riviertje via enkele keien over en hield dan niet veel verder halt nabij een grote granieten rots die hier door het gras uitstak. Ik plaatste mijn rugzak tegen de rots, deed mijn trui uit en begon dan in het gras een pakje hardkeks te eten met confituur en siroop. Het was dan al 13h00. De zon brandde weer fel en ondertussen was het weer aangenaam warm geworden. Na de lunch nam ik mijn rugzak weer op en vervolgde de afdaling door het gras. Zo kwam ik na een poosje zo goed als beneden in de laagte van Campoplano uit. Hier bevinden zich enkele stuwmeren. Links in de verte werd het Embalse de Respumoso (2100m) reeds zichtbaar tussen de verspreide naaldboompjes die ginder lager rond het meer groeiden, maar het was een lelijk zicht. Het meer was voor de helft leeggelopen zodat een heel stuk van de dam zichtbaar was. Deze torende wel een vijftigtal meter boven de waterspiegel uit. Het pad splitste hier. Een pad liep links verder naast de Barranco de Llena Cantal in de richting van de Refugio Respumoso. Ik nam echter het rechtse pad dat eigenlijk gewoon rechtdoor verder liep door het gras en vanaf nu ongeveer op gelijke hoogte verder bleef lopen tot ik op een rug terecht kwam waar het pad een bocht maakte naar rechts en dan geleidelijk afdaalde naar de Barranco de Campoplano die in een ondiepe kloof stroomde. Hier blies een fris windje uit het oosten. Niet veel verder was de dam al te zien van het Embalse de Campoplano met enkele betonnen bouwsels en een vervallen kraan op de rug aan de overkant van de rivier. De dam was niet afgemaakt en het leek erop dat alles er zo al een heel tijdje bij lag. Wat verder moest ik over de grote betonnen blokken die hier in de rivier waren geplaatst. Het water van de rivier liep tussen de blokken door want de gaten waren niet gedicht. Hier voorbij passeerde ik een kleine kudde schapen en kwam dan op een uitgestrekte grasvlakte terecht aan de oostpunt van het Embalse de Campoplano (2150m) omstreeks 13h45. Indien men de dam dicht maakt zal heel deze grasvlakte overstromen en het meer waarschijnlijk meer dan drie keer groter worden dan zijn huidige oppervlakte. In het noorden was boven de vlakte een brede bergpas te zien die ligt tussen Punta del Cristal (2889m) in het westen en Pico de la Peira (2802m) in het oosten. Dit is de Collado de la Peira de San Martin (2295m), of in het Frans de Port de Saint Martin. Het is één van de diepste bergpassen op de grenskam en daarom waaide het hier nogal omdat de pas nu fungeerde als een soort tochtgat voor de vallei. Indien ik om één of andere reden tijd zou over gehad hebben vandaag, dan zou ik Punta del Cristal via de col beklommen hebben, maar dat was nu niet het geval. Enkele koeien graasden op de grasvlakte net onder de col.
Ik liep dus over de zuidkant van de grasvlakte verder naar het oosten op het nog steeds duidelijk aanwezige pad en negeerde zo het pad dat naar het noordoosten loopt en dan klimt naar de col. Aan de zuidoostelijke punt van de vlakte liep ik zo over het pad al klimmend een klein smal dalletje in waar een klaterende beek door stroomde. Dit is nog steeds de Barranco de Campoplano.
Al snel stroomde deze beek beneden links van me door een nauwe kloof. Het pad bleef rechtdoor verder stijgen terwijl hoog voor me de top van Gran Facha (3005m) geleidelijk uit het zicht verdween met het verder klimmen in het dalletje. De wanden van het dalletje werden steeds steiler zodat ik na een poosje, nadat ik reeds een kleine groep Spanjaarden met hun hond was gekruist, vlak naast de klaterende beek liep in de kloof zelf. Het pad liep nu over en tussen grote rotsblokken verder en regelmatig waren er steenmannen aangebracht. Ik passeerde vele kleine watervallen en niet veel verder klom het pad over een kort maar zeer steil stuk de ondiepe kloof weer uit zodat ik weer voor een kort stuk rechts boven de kloof wandelde tussen rotsen en het laatste gras want niet veel verder ging het dalletje over in een volledig met stenen gevulde couloir waar het inmiddels kleinere beekje nog steeds door stroomde. Deze couloir was langs de rechter kant gevuld met een lange puinhelling van losliggende stenen waar het pad nu zeer steil zigzaggend over naar omhoog klom en leek bovenaan uit te komen op een soort col waar het riviertje leek te ontspringen onder het puin. Ik wist echter dat dit geen col was maar dat achter deze couloir de Ibones de la Faixa lagen en dat het water van het beekje van deze meertjes afkomstig was.
Wanneer ik ongeveer midden in de couloir was kwamen er van boven twee vrouwen van middelbare leeftijd afgedaald. Het waren Fransen vermoedde ik omdat ze bonjour tegen me zeiden toen ze me passeerden. Toen ik bovenaan de couloir was omstreeks 15h00 zag ik inderdaad het meest zuidelijke van de drie Ibones de la Faixa (2520m) meertjes liggen. Het meertje was ondiep en lag in een ruige rotsomgeving ingebed. Vooraan lag een redelijk groot schiereiland. Achteraan rechts lag nog een groot dik sneeuwveld dat tot in het meer viel. Het pad liep net boven dit sneeuwveld verder en klom dan zigzaggend naar de relatief brede Collado de la Faixa (2664m), de bergpas op de grens met Frankrijk die aan de noordkant van Gran Facha ligt. Zowel de col als de top van Gran Facha kon ik van hieruit zien. Aan de overkant van de meertjes lag een andere diepe col, de Port d’Azun (2701m), met rechts ervan de Pico de Cambales (2968m). Ik liep nog even over het pad verder dat nu lichtjes stijgend over de puinhelling aan de zuidkant van het meertje verder liep in de richting van het sneeuwveld. Dan stopte ik, deed mijn rugzak af en dronk het allerlaatste water uit mijn waterzak op. Van hieruit zag ik nu dat het ene meertje net niet met het andere verbonden was. Verder merkte ik nog een kleine vlakke kampeerplek op aan de oever van het zuidelijke meertje net onder de Collado de la Faixa. Het derde meertje was niet te zien omdat dit links verscholen lag. Ik daalde vervolgens de tien meter naar het meertje verder af terwijl ik het colaflesje en mijn waterzak meenam. Beneden aan het meertje vulde ik mijn waterzak bij, maar deed hem niet helemaal vol. Daarna dronk ik met het colaflesje nog een goeie halve liter van het meerwater rechtstreeks op en klom dan terug naar mijn rugzak aan het bergpad. Daar installeerde ik mijn waterzak terug in mijn rugzak, bevestigde hem terug op mijn rug en liep weer verder over het pad. Zo passeerde ik net boven het sneeuwveld en begon dan geleidelijk aan de klim naar de col, die steiler werd en begon te zigzaggen eens de puinhelling verlaten werd. Over een kale grijze helling met veel kleine steentjes en wat schaars groeiend gras bereikte ik dan uiteindelijk al steil verder klimmend over het pad de Collado de la Faixa (2664m) terwijl ondertussen het derde meertje van de Ibones de la Faixa zich had laten zien.
Het was nu 15h30. Op de Collado de la Faixa of Col de la Fache stond weer een bord dat het Parc National des Pyrenées aankondigde want ik bevond me nu weer op de Frans-Spaanse grens. Ik rustte hier niet uit maar sloeg meteen rechts af op de beklimming van Gran Facha. Een twintigtal meter boven de col deed ik mijn rugzak af en plaatste hem ergens tussen de rotsen. Nu zag ik plots dat er een kleine groep Spanjaarden op de col uitrustte en me aankeek. Ik had hun niet gezien toen ik op de col aankwam, want zij zaten een beetje vertopt. Mijn wandelstokken liet ik dit keer ook achter. Het pad klom zeer steil zigzaggend verder en niet veel hoger kwamen drie Spanjaarden langzaam naar beneden. Gran Facha, of Grande Fache zoals de Fransen de berg noemen, is een veel beklommen berg, maar omdat het nu al redelijk laat was zal ik waarschijnlijk wel de enige op de berg zijn nu de laatste Spanjaarden bijna de col hadden bereikt. Het pad verdween al snel en over rotsen met af en toe heel wat losse stenen klom ik steil verder, proberende de onduidelijk geplaatste steenmannetjes te volgen. De route was helemaal niet duidelijk, maar ik klom net langs de westkant onder de bergkam verder. Af en toe klom ik één van de steile ondiepe couloirs in onder de redelijk steile kam om deze dan hoger terug uit te klimmen. Soms was ik de route kwijt en moest ik noodgedwongen terugkeren en een andere route zoeken. Af en toe liet ik enkele losse stenen naar beneden vallen waarbij er één zeer diep naar beneden tuimelde. Het was een lange, steile maar mooie klim.
Na een hele tijd wanneer ik ongeveer een 300m boven de Col de la Fache was uitgeklommen kwam ik op de kam terecht. Deze stak ik over en liep dan enkele meters boven de steile Franse afgrond verder waar ik dan even verticaal over een twee meter een rots moest opklimmen om opnieuw aan de Spaanse kant van de kam uit te komen. Dit was de lastigste passage van de hele klim. Terug langs de Spaanse kant van de kam klom ik dicht onder de kam verder en bereikte zo heel snel een secundaire top. De echte iets hogere top van de Grande Fache ligt nog een dertig meter verder. Nu daalde ik even verder af van deze secundaire top naar een soort bres tussen de twee toppen in. Vervolgens daalde ik af in de steile couloir die vanaf de bres naar het zuidwesten afdaalt. Een vijf meter lager stond hier nog een steenmannetje aan de linker kant in de couloir. Bij dit steenmannetje ging ik de couloir opnieuw uit en klauterde zo langs de zuidzijde zeer steil over de rotsen tot op de top (3005m) waar ik stipt om 16h00 aankwam.
Op de top blies weer een noordenwind, maar het waaide minder hard dan deze voormiddag op de Picos del Infierno.
Ik stond enkel in mijn groen trekkershemd op de top want mijn trui had ik in mijn rugzak gelaten. Eigenlijk was het daar iets te frisjes voor en daarom bleef ik niet lang op de top. Het uitzicht was uiteraard weer geweldig waarbij net dezelfde toppen te zien waren als op de Picos del Infierno. Het zicht op de Picos del Infierno (3082m) zelf was trouwens het mooiste, naast dat op de Pic du Midi d’Ossau (2884m), Balaïtous (3146m) en Vignemale (3298m). Langs de Franse kant zag ik diep beneden het Lac de la Fache (2420m) liggen waar ik nu wel van plan was om de komende nacht te gaan overnachten. Ik trok snel enkele foto’s en begon dan meteen aan de afdaling.
Zo klom ik weer langs de zuidzijde van de top naar beneden, dan door de couloir opnieuw naar de secundaire top, waarna ik even lager weer het korte stukje langs de Franse kant van de kam nam om dan steil langs de Spaanse kant onder de kam verder af te dalen boven de steile afgrond over de vele stukken met losliggende stenen tot ik na een hele tijd weer bij mijn rugzak uitkwam iets boven de Col de la Fache. Ik nam mijn rugzak en wandelstokken op en daalde de laatste meters verder af naar de Col de la Fache (2664m) waar ik omstreeks 16h40 aankwam en dit keer niemand meer was. Vervolgens begon ik met de afdaling Frankrijk in. Het pad daalde zo rechtdoor en matig steil over de berghelling het dalletje in onder Grande Fache.
Eerst liep het pad nog tussen een met wat gras begroeide rotsige helling, maar al gauw stootte ik op een rotsveld en was er geen sprake meer van een pad. Hier volgde ik de steenmannetjes verder over de rotsen. Rechts van me was nu een groot sneeuwveld zichtbaar geworden op de massa puin dat aan de voet van Grande Fache lag. Dit was een mooie sneeuwnis waar zich zelfs in het puin een kleine actieve morene op had oontwikkeld.
Hier schrok ik op een gegeven moment fel. Er weerklonk plots een hoog piepend geluid van achter een rots, slechts een tien meter van me vandaan. Dan zag ik dat een marmot vlak bij me op een rots stond terwijl hij me voor een kort ogenblik rechtop bang aanstaarde op zijn achterste pootjes voor slechts enkele seconden want daarna sprong hij weg en verstopte zich. Ik wandelde dus weer verder over de rotsblokken. De Pic Falisse (2765m), de oostelijke buur van Grande Fache kwam nu ook in zicht. Niet veel verder was ik het rotsveld over en verscheen het pad opnieuw. Zo daalde ik geleidelijk terug verder af tot niet veel later het Lac de la Fache (2420m) van achter de berghelling verscheen op een soort terras waarachter de diepe afgrond naar het Vallée du Marcadau ligt. Ginds aan het meertje leek er wel gemakkelijk een kampeerplek te zijn. Het pad liep niet naar het meertje, maar daalde verder af in een dalletje dat links van het terras verscheen. Wanneer ik ter hoogte van het terras was afgedaald waar het pad geleidelijk het dalletje inliep, verliet ik het pad en zocht zo tussen drooggevallen plasjes door het gras en de uitstekende rotsen mijn weg naar het meertje. Het meertje lag een kleine honderd meter van het pad vandaan. Aan de zuidwestkant van het meertje, dus in de richting van Grande Fache, lag een rotsveld waar aan de rand een kampeerplek was in aangebracht.
Ik zette mijn rugzak hier neer om zo dadelijk hier mijn tent op te stellen. Deze kampeerplek lag nog een twintig meter van de oever vandaan. Ik ging eerst de omgeving rond het meertje verkennen. Het was nu enkele minuten over vijf. Zo liep ik langs de zuidpunt van het Lac de la Fache naar een heuvel ten noordoosten van het meertje dat aan de rand lag van het terras. Onderweg moest ik opmerken dat het dicht bij de oever van het meertje krioelde van de kleine visjes. Ze vluchtten telkens de diepte in wanneer ze me zagen aankomen. Op de heuvel aangekomen had ik een mooi uitzicht over het Lac de la Fache (2420m) met de Col de la Fache (2664m) op de achtergrond en links ervan het grote piramidale gestalte van Grande Fache (3005m). Het beeld was te groot om op één foto te kunnen. Van op deze heuvel zag ik nu ook een groot deel van het Vallée du Marcadau diep beneden met onder meer de Refuge Wallon (1866m) in de verte aan de rand van het Pla de la Gole. En hoe kon het ook anders, in het oosten verhief de Vignemale (3298m) zich over de bergen van de grenskam.
Dan liep ik terug naar mijn rugzak en stelde mijn tent op. Wanneer deze klus klaar was besloot ik om me te gaan proberen te wassen in het meertje. Zo nam ik dus mijn wasgerief, kleedde me uit, maar hield mijn lange onderbroek nog aan en liep naar het kleine schiereilandje aan het water. Het was toch aangenaam warm in mijn bloot bovenlijf onder de brandende zon. Het was ook zo goed als windstil want de waterspiegel was bijna zo goed als één glad oppervlak. Dat ging ik nu wel even verstoren. De enkele visjes vluchtten allen de dieperik in toen ik dicht bij het water arriveerde. Dan ging ik langzaam het water in op mijn sleffers op een plek waar de bodem van het meertje niet steil afhelde naar een vlak stuk van zo’n halve meter diep. Het water was natuurlijk ijskoud. Toch ben ik dieper gegaan tot op het vlakke stuk zodat ik tot iets dieper dan mijn knieën in het water stond. Ik maakte het water wel wat troebel in mijn buurt doordat ik het dunne laagje slib op de bodem deed opwaaien. Vervolgens maakte ik mijn washandje nat, deed er wat zeep op en begon me snel te wassen en spoelde me daarna af. Het was ijskoud en overal verscheen er kippenvel op mijn lichaam, maar ik had me uiteindelijk toch fris gewassen. Behalve mijn haren, die durfde ik niet te wassen want met een koude kop kon ik alleen maar ziek worden. Toen dit klaar was snelde ik vlug uit het water, droogde me af en keerde dan terug naar mijn tent waar ik me opnieuw aankleedde.
Ondertussen raakte de zon net Grande Fache en de schaduw van de berg reikte al vlak tot bij mijn tent. Nog even en heel het meertje zal weer in een kille donkere schaduw terecht komen. Ik zette alles klaar om het avondeten klaar te maken en haalde dan nog even water uit het meertje. Vervolgens kroop ik al in mijn slaapzak wanneer het water opstond om te koken. Ondertussen was de schaduw van Grande Fache het meertje al aan het innemen en werd het snel fris.
Wanneer ik mijn eten en de eerste portie chocolademousse op had gegeten reikte het zonlicht enkel nog maar tot de toppen aan de overkant van de vallei en ook tot de Vignemale natuurlijk. Tenslotte ging ik nog even mijn kookpot afwassen in het meertje en mijn tanden poetsen. Wanneer ik dan in mijn slaapzak kroop en mijn tent dicht ritste was de Vignemale net als gisteren weer helemaal rood gekleurd. De halve maan was nu ook al rechts van de Vignemale verschenen. Het was nog maar tien voor acht en nog helemaal niet donker. Toch ging ik nu al slapen want morgen brak een dag aan waar ik een grote afstand zou moeten afleggen. Ik zal opnieuw Spanje intrekken, maar dit keer verder dan ik reeds geweest ben, om dan hopelijk weer een afgelegen bergmeertje te bereiken aan de zuidoostelijke hellingen van de Picos del Infierno. Ik viel niet meteen in slaap. Het was weer windstil zodat een verschrikkelijke stilte heerste. Vele mensen zullen zich een zulke stilte niet kunnen inbeelden. Zoiets kom je alleen nog maar hoog in de bergen tegen. Ik was minder moe dan gisteren avond en daarom viel ik pas na een goed half uurtje in slaap wanneer het nu wel net donker was geworden buiten.
Afstand : 20,5km
Duur : 7h40
Klimmen : 1401m
Dalen : 1511m
Bergpassen : Port du Marcadau (2541m)
Vandaag brak de dag aan waar ik graag het Ibon de los Arnales zou willen bereiken. Dit meertje ligt hoog aan de zuidoostelijke flank van de Picos del Infierno. Maar om dit meertje te bereiken moet er een lange afstand overbrugd worden. Eerst zal ik verder het Vallée du Marcadau indalen om weer even bij de Refuge Wallon (1866m) uit te komen waar ik drie dagen terug reeds ben geweest, toen nog met Sarah en Jeroen. Vervolgens start de klim naar de Port du Marcadau (2541m), de grenspas waar dit korte Franse intermezzo zal worden beëindigd en een dagenlang Spaans avontuur begint. In Spanje zal ik verder afdalen langs het Embalse de Bachimaña Alto (2207m), waar ik eergisteren reeds passeerde. Zo zal ik mijn weg van eergisteren even gaan kruisen, maar toch zonder één meter over hetzelfde pad te moeten lopen. Achter het meer neem ik de lange afdaling verder tot in het Spaanse dorpje Baños de Panticosa (1650m). Daar zal dan waarschijnlijk reeds laat in de namiddag nog de finale klim starten naar het nog meer dan 600m hoger gelegen Ibon de los Arnales (2310m).
Vandaag brak de dag aan waar ik graag het Ibon de los Arnales zou willen bereiken. Dit meertje ligt hoog aan de zuidoostelijke flank van de Picos del Infierno. Maar om dit meertje te bereiken moet er een lange afstand overbrugd worden. Eerst zal ik verder het Vallée du Marcadau indalen om weer even bij de Refuge Wallon (1866m) uit te komen waar ik drie dagen terug reeds ben geweest, toen nog met Sarah en Jeroen. Vervolgens start de klim naar de Port du Marcadau (2541m), de grenspas waar dit korte Franse intermezzo zal worden beëindigd en een dagenlang Spaans avontuur begint. In Spanje zal ik verder afdalen langs het Embalse de Bachimaña Alto (2207m), waar ik eergisteren reeds passeerde. Zo zal ik mijn weg van eergisteren even gaan kruisen, maar toch zonder één meter over hetzelfde pad te moeten lopen. Achter het meer neem ik de lange afdaling verder tot in het Spaanse dorpje Baños de Panticosa (1650m). Daar zal dan waarschijnlijk reeds laa