Articles by Joery

You are currently browsing Joery’s articles.

  • De Stubaier Höhenweg vormt een 7 tot 10 daagse alpine huttentocht omheen het Stubaital ten zuidwesten van Innsbruck. Ze loopt bijna constant boven 2200m waarbij soms redelijk hoge cols dienen overgestoken te worden en kent hier en daar beveiligde kabelpassages. De tocht kan gelopen worden vanaf midden juli tot de eerste sneeuwval in september. Vroeger in juli vormt een risico vermits de moeilijke oversteek nabij de Grabagrubennieder dan vaak nog bedekt is met sneeuwvelden. Deze tocht wordt redelijk druk belopen door de Oostenrijkers. Traditioneel wordt er overnacht in berghutten en alhoewel bivakkeren in principe verboden is in dit deel van Oostenrijk wordt het uit het zicht van de hutten wel getolereerd. Ik liep de route in 8 dagen begin september en maakte nog twee zijsprongetjes onderweg.
  • Overzichtskaart van de gelopen route: Stubaier Höhenweg overzichtskaart
  • Trekkingschema met looptijden, opmerkingen en hoogteprofiel
  • Direct naar de foto’s of fotostream

Afstand : 11km
Duur : 5h30

11h00 stipt aankomst Innsbruck station. Ik zoek zo snel mogelijk een bus naar Neustift. Aan een loket zegt een bediende dat ik in de Maria-Theresia Strasse moet zijn. Dus ga ik erheen. Geen bus te zien die richting Stubaital rijdt. Ik stap op de eerste bus die stopt. Natuurlijk rijdt ze niet naar het Stubaital. De buschauffeur doet teken dat ik mag meerijden en dat hij me wel aan de juiste plaats zal afzetten. Twee haltes verder zet hij me weer af aan de andere kant van het station en wijst me de juiste bus. De bus rijdt via de Brenner-autobaan tot in Schönberg. Vanaf hier heb je een geweldig zicht op de Grosse Ochsenwand (2700m) en de Schlikker See Spitze (2804m) in het Schlikkertal, die deel uitmaken van de Kalkkögel. Deze bergen zal ik de laatste dagen van veel dichterbij kunnen zien. Het einde van het dal met de gletsjers was ook goed te zien. Ik geloof dat het ongeveer 12h30 was wanneer ik in Neustift (993m) aankwam. Eerst zocht ik naar een winkel om een postkaartje te kopen om naar huis op te sturen, maar buiten alle horecazaken was alles gesloten. Dan ben ik maar op een bankje aan de kerk gaan zitten en heb daar al mijn boterhammen opgegeten.

Om 13h30 ben ik er dan aan begonnen. Het was even zoeken naar het paadje dat het bos in liep richting Auten Alm. Al snel kwam ik een beekje tegen. Hier stopte ik om water te nemen, maar het bevatte veel onzuiverheden. Ik dronk er toch van, maar het smaakte slecht. De klim door het bos naar de Auten Alm was zwaar, vooral omdat het warm weer was. De Auten Alm (1658m) zat bomvol. Het was dan ook zaterdag. Ik besloot dan maar om hier niets te drinken en direct verder te gaan naar de Elfer Hütte. Geleidelijk aan kwam ik boven de boomgrens en had ik een geweldig zicht op Neustift in de diepte, de Hoher Burgstall (2611m) aan de overkant van de vallei (die ik later nog zal beklimmen) en de Starckenburger Hütte. De warmte werd draaglijker en er waren enkele buitjes zichtbaar. Het laatste stuk naar de Elfer Hütte liep net boven de boomgrens door struikgewas langs de steile hellingen onder de Elfer Spitze. Enkele parapentes zweefden vlak boven me.

PinnistalDe Elfer Hütte (2004m) was duidelijk minder druk dan de Auten Alm, maar het zat er wel vol Hollanders. In de hut dronk ik snel een cola en iets voor 17h vertrok ik weer. Vanaf nu ging de weg naar de Kar Alm langs de noordflank van het mooie Pinnistal met zijn vele puinkegels en puinhellingen. Vanaf nu werd het kouder en stak er wat wind op zodat ik moest stoppen om mijn fleece aan te trekken. Eventjes was de kleine gletsjer van de Habicht te zien, maar hij verdween al snel achter de wolken. De top van de Habicht (3277m) lag spijtig genoeg constant in de wolken. In de Gratzengrübl onder de Zwolfernieder zocht ik naar water. Volgens de kaart zou er hier een piepklein meertje moeten zijn. Het enige wat ik hier vond was een kudde schapen. Bij een kapotte waterbak vond ik wat vochtige stenen. Dit bronnetje was bijna zo goed als opgedroogd. Dan maar terug naar de weg, waar ik een foto nam van de Elfer Spitze.

De weg begon nu langzaam te dalen naar de Kar Alm. Wat verderop vond ik per toeval wel een bron met een vervallen drinkbak. Ik vulde mijn drinkzak en flesje helemaal vol. Na dit bronnetje daalde het steiler af naar de Kar Alm. Even stroomopwaarts van het riviertje aan de Karalm (1747m), zocht ik een bivakplek. De vlakke bodem van het dal is ideaal om te bivakeren maar ook voor koeien, dus stond het hier vol met die beesten en lag het er dus ook vol met koeienvlaaien. Het was al 19h en mijn tent stond nog maar net recht of de boer van de Karalm kwam eens kijken wat ik aan het doen was. Gelukkig mocht ik hier van hem voor één nacht slapen. Wanneer ik mijn rugzak, slaapmat en slaapzak in mijn tent had geïnstalleerd begon het al duister te worden. Sommige koeien waren nieuwsgierig en kwamen aan mijn tent ruiken en likken. Ze wegjagen hielp niet, want ze kwamen altijd weer terug. Ik besloot om rundsvlees klaar te maken. Wanneer ik er uiteindelijk van kon eten was het al halfnegen en donker. Het was ondertussen beginnen weerlichten, maar donderen deed het niet. Na het eten ging ik al maar direct slapen, maar de bellen van de nog actieve koeien en de klaterende waterval dichtbij hielden me nog zo’n uur wakker.

Afstand : 15km
Duur : 9h30

Wanneer ik ’s morgens om halfzeven opstond en naar buiten keek zag ik al dat dit een niet zo mooie dag ging worden. Wolkenslierten zweefden enkele tientallen meters hoger door het dal. Op zich was dit niet erg, maar aan de middelbare bewolking erboven zag ik dat het zou gaan regenen. De koeien waren blijkbaar al veel vroeger opgestaan dan ik, want ze waren nergens te bespeuren. Enkel hun bellen waren in de verte te horen. Nadat ik de twee resterende koffiekoeken had opgegeten, me had gewassen en alles in mijn rugzak had gepropt was het al halfnegen.

Vanaf de Karalm (1747m) moest ik nu klimmen naar een col, de Pinnisjoch (2370m). Op de klim kwam ik al veel mensen tegen die van de Innsbrücker Hütte kwamen. De bewolking nam steeds verder toe en het zicht werd steeds minder. De bergtoppen waren sinds deze morgen al niet meer te zien. Zowat halverwege de klim begon het licht te regenen. Ik stopte om mijn regenhoes over mijn rugzak te doen. Mijn regenjas had ik al lang aan. Wat verder belandde ik al direct in een dichte mist. Verder dan tien meter was het zicht niet. Bovendien begon het te waaien en harder te regenen. Toen ik rond 10h00 op de Pinnisjoch (2370m) aankwam, waar het hard waaide, moest ik even op de kaart kijken waar de hut lag. De Innsbrucker Hütte (2369m) ligt maar een vijftig meter van de col, maar met de mist was het zoeken. De hut zat bomvol. Ik dronk er een cola en vertrok terug. Blijkbaar had niemand er meer zin om door de regen te wandelen.

Vanaf nu ging het richting Bremer Hütte langs de noordflank van het Gschnitztal. Veel kreeg ik van dit dal niet te zien. Vlak achter de Innsbrucker Hütte ging de weg over grote rotsblokken verder. Het bleef lichtjes regenen en het zicht bleef altijd ongeveer twintig meter. Op een gegeven ogenblik passeerde ik een groot sneeuwveld, maar met de mist ontdekte ik pas dat het sneeuw was wanneer ik er zo’n vijf meter naast wandelde. Na lange tijd kwam ik in een kom terecht pal ten zuiden van de Habicht, waar de wolkenbasis uiteindelijk toch begon op te trekken. Vanaf nu was het dal beneden zichtbaar, maar de bergtoppen bleven in de wolken.

In de kom kwam ik enkele mensen tegen die van de Bremer Hütte kwamen. Ik zat dus bijna halfweg tussen de Innsbrucker en Bremer Hütte. De weg liep verder uit de kom omhoog naar de Pramarn Spitze (2511m). Van hieruit zou je een overzicht hebben over het gehele Gschnitztal. Ik zag voornamelijk wolken. Eventjes zag ik tussen de wolken een gletsjer opduiken. De korte afdaling achter de Pramarn Spitze was zeer steil en met kabels beveiligd. Wat verder stopte ik om enkele hardkeks te eten als middagmaal. Ondertussen kwam er een grote wolk van beneden uit het dal naar boven gewaaid en al snel zat ik terug in de dichte mist. De weg ging verder steeds stijgend of dalend, met soms gevaarlijke kabelstukjes, waar al mensen verongelukt zijn in het verleden zoals blijkt uit enkele opschriften die aan de rotsen hangen. Ongeveer een kilometer verder in een hangend dalletje stopte ik weer om een powerbar te eten, want de mist was ondertussen weer opgetrokken en voor het eerst was het gestopt met regenen.

GschnitztalToen ik mijn rugzak nam om te vertrekken begon het terug te regenen. Het was nauwelijks een half uur droog geweest. Al snel ging het weer verder door een dichte mist. Ik passeerde vlak langs enkele kleine meertjes alvorens de klim begon over rotsblokken naar een kleine col, wiens naam niet op de kaart staat. Het laatste stukje was zeer steil. Ik begon me al af te vragen hoe de echte cols er gingen uitzien. De afdaling was eveneens steil, maar best te doen. Op een gegeven moment sprong er een kikker vlak voor mijn voeten weg. De wolkenbasis was ondertussen weer wat opgetrokken en opeens was de Bremer Hütte te zien boven op een steile rotswand. Van hieruit leek het onmogelijk om de hut te bereiken, maar er zou wel degelijk een weg lopen langs die steile rotswand naar de hut. Maar dat was voor morgen. Toen ik het bordje tegenkwam dat Lautersee (2410m) aanwees, verliet ik de weg naar de Bremer Hütte. Op weg naar het meer werd het terrein steeds rotsiger. Wanneer ik na korte tijd aan het meer kwam zocht ik een plaatsje tussen de grote rotsblokken om mijn tent op te stellen. Veel keuze was er niet. Het meer zelf was prachtig. Helder blauw bergwater en een groot sneeuwveld aan de oever aan de overkant. Op een gegeven moment hoorde en zag ik hoe een rotsblok aan de overkant van de steile helling rolde en zich in het meer plofte. Het gebeurt maar zelden dat je zoiets kan meemaken. De Lautersee Joch (2761m), de col aan de overkant van het meer waarover geen weg voert, was soms nog net te zien onder de wolken. De toppen van de Innere en Äusere Wetter Spitze waren absoluut niet te zien.

Voor de rest van de regenavond bleef ik in mijn tent zitten en ging ik vroeg slapen. Het was buiten erg koud geworden. ’s Nacht werd ik twee keer wakker van de wind en de regen en merkte ik dat het ook weer weerlichtte. Bij momenten regende het zelfs hard. Ik had last gekregen van keelpijn. Het was net alsof mijn luchtpijp net zo smal geworden was als een rietje. Waarschijnlijk een gevolg van de hoogte. Het was tenslotte de eerste keer in mijn leven dat ik een nacht doorbracht op 2410m.

Afstand : 12km
Duur : 8h30

De volgende morgen was het gestopt met regenen en toen ik mijn tent openritste en naar buiten keek schrok ik. De lucht was staalblauw en er was geen enkel wolkje te bespeuren. Het was praktisch windstil en slechts enkele graden boven nul. Ik at een portie lapskaus, wat me toch niet erg smaakte. De toppen van de Innere Wetter Spitze (3053m) en de Äusere Wetter Spitze (3070m), die het meer omzomen, waren nu wel te bewonderen.

GschnitztalWanneer ik vertok kreeg ik voor het eerst een weids zicht over het Gschnitztal. Alhoewel, de situatie nu net omgekeerd was als gisteren. Het dal was gevuld met een dicht stratocumulusdek, waarover ik mooi heen kon kijken. Terug op weg 124 naar de Bremer Hütte zag ik hoe het rode voorraadbakje via de goederenkabel langzaam naar de Bremer Hütte zweefde. Eerst daalde het naar het riviertje dat van de Lautersee kwam, om dan steil te stijgen naar de Bremer Hütte (2411m) via de fameuze steile rotswand. Uiteindelijk was het een gemakkelijke klim. Aan de hut nam ik een foto van de noordflank van het Gschnitztal. De top van de Habicht was weer in een wolk gehuld. Veel indrukwekkender was de Simmingferner, de eerste gletsjer die ik op deze tocht eens van relatief dichtbij zag. De gletsjer ligt gekneld tussen de Schneespitze (3173m) en de Östliche Feuerstein (3267m).

SimmingfernerIn de hut was er niemand buiten de eigenaar en zijn vrouw. Ik dronk een appelsap en vertrok terug. Nu moest ik geleidelijk aan beginnen aan de eerste serieuze col, de Simmingjoch (2754m). Op weg naar de col kwam ik enkele marmotten tegen. Het uitzicht op de gletsjer werd steeds indrukwekkender. Je kon duidelijk zien aan de morenes dat deze gletsjer vroeger veel groter moet geweest zijn.

De weg werd geleidelijk steiler en kronkelde naar boven. De laatste twintig meter naar boven was serieus steil. Je dient voorzichtig tussen de rotsen naar boven te klauteren via kabels. Boven op de col staat een klein tolhuisje. Ik rustte even uit op de col en kon genieten van het uitzicht op de Simmingferner. Vanaf nu was de Wilde Freiger (3418m) in de verte te zien, alsook de vele gletsjers. De Nürnberger Hütte, die beneden aan de overkant van het dal tegen de berghelling leek te plakken, was van hieruit ook te zien.

SimmingfernerToen ik na een korte pauze weer wou vertrekken (want er stond een frisse wind op de col), kwam er net een oud koppel vanuit de tegenovergestelde richting naar boven. Ik schatte dat ze beiden zo’n 55 jaar waren en vroeg me af of ze de steile afdaling vanwaar ik naar boven kwam wel aandurfden. Ik begon in ieder geval met de afdaling naar het Langental. De afdaling was zeker niet zo steil als de klim. Eerst ging het over door gletsjers glad gepolijste rotsen die op sommige plaatsen wel glad waren. Daarna volgde een steiler stuk met enkele kabels om dan over een puinhelling langzaam in een zijdalletje van het Langental af te dalen. In de bodem van het dalletje ging de weg verder langs een verwilderd riviertje dat uitmondde in een moeras. Hier stopte ik om enkele hardkeks te eten. Het was ondertussen aangenaam warm geworden onder een brandende zon. Wat verder stortte het riviertje zich in een tweede moeras, waar het mooi doorheen meanderde.

Vervolgens verliet het paadje het riviertje en ging het verder naar beneden waar het op sommige stukken onderbroken was door gladde rotsen waar de dunne regoliet was weggespoeld. Ik haalde geleidelijk een troep mensen in die die morgen van de Bremer Hütte vertrokken waren. Hun ruime voorsprong had ik nu al tenietgedaan. Eén voor één lieten ze me passeren. We daalden soms geleidelijk, dan weer steil via kabels naar de rivier in het Langental. Via een smalle balk stak ik de wilde rivier over. De oever lag bezaaid met grote afgeronde rotsblokken.

LangentalNu ging het natuurlijk weer omhoog, naar de Nürnberger Hütte (2288m). Ook hier moesten sommige passages met kabels overwonnen worden. De bewolking was ondertussen geleidelijk toegenomen en het duurde een heel eind voor de hut in zicht was. Er zaten veel mensen buiten op het terras, maar binnen in de hut was het rustig. Ik rustte er uit en at spek met eieren. Het was ondertussen al 15h.

Toen ik terug vertrok had ik vlak na de hut de keuze tussen twee cols om over de bergrug het Grünauplateau te bereiken. De eerste col was de Niederl (2629m) die beduidend lager is dan de tweede col, die langs de Mairspitze voert (2743m). Toch nam ik de tweede col omdat het uitzicht er naar mijn mening beter zou zijn en omdat de Niederl stond aangeduid met “nur für Geübte”. De Niederl bevat inderdaad een zeer steil stuk met kabels, terwijl de weg over de Mairspitze volledig kabelvrij is. Naar het mooie uitzicht op de Mairspitze kon ik fluiten, had ik al direct door. Na slechts enkele minuten klimmen vanaf de hut bevond ik me al snel in de cumuluswolken. Slechts sporadisch kon nog eens een glimp van het dal of de bergen opgevangen worden. Voor de overige tijd was het wandelen door een dichte mist.

LangentalDe klim naar de Mairspitze kronkelde sterk tussen grote rotsbokken. Boven op de col was van het Grünauplateau niets te zien. Wanneer ik verder afdaalde kwam ik geleidelijk terug onder de wolkenbasis uit en zag ik het plateau met de vele meertjes. Het kleine Grünautal achter het plateau was gevuld met wolken zodat van de Wilde Freiger en zijn gletsjer nog niets te zien was. Normaal zou het uitzicht van hieruit op de berg en de gletsjer fantastisch zijn. Op het plateau zocht ik een geschikte plek om mijn tent op te zetten. Ik wou vlak langs de oever van een meertje plaatsnemen, maar dat was onmogelijk omdat er te veel stenen uit het gras staken. Uiteindelijk vond ik een geschikte plek (op 2530m hoogte) dicht bij, maar nog op een veilige afstand van een afgrond en zo’n veertig meter van het laatste meertje op het plateau. Het was ondertussen al sterk afgekoeld en wanneer het donker begon te worden zag ik voor een korte tijd eventjes de top van de Wilde Freiger en een stuk van de gletsjer tussen de wolken heen. Het was mooi om de wolken uit het nabijgelegen dal te zien opstijgen en dan in verschillende richtingen te zien drijven. Wanneer ik gegeten had en ging slapen begon het te regenen. De wind stak op en wat later begon het ook te weerlichten. ’s Nachts werd ik net als de vorige nacht een keer wakker van de harde wind en de regen.

Afstand : 13km
Duur : 8h30

Wilde Freiger FernerToen ik ’s morgens opstond was het zwaar bewolkt. De wolkenbasis hing ongeveer op 2700m. Het had heel de nacht geregend en het was gelukkig net droog geworden. Er stond wel veel wind en je kon zien dat het boven 2700m had gesneeuwd. De bergwanden waren bedekt met een dun laagje verse sneeuw. Het onderste deel van de Wilder-Freiger-Ferner was te zien en aan de overkant van het Stubaital was de Ruderhofspitze (3474m) even in zicht. Bij het afbreken van mijn tent was het oppassen of er niets ging vliegen. Toen ik alles ingepakt had en vertrok begon  het weer lichtjes te regenen. De afdaling van het plateau via het kleine Grübltal naar de Sulzenau Hütte begon steeds zwaarder te worden. Dat lag niet aan de weg maar het weer. Het waaide nu stormachtig en je moest oppassen of je niet omver werd geblazen. Bovendien waaide het zo hard dat de regendruppels precies als kleine hagelbolletjes tegen je gezicht botsten. Toch slaagde ik er nog in om snel nog een foto te nemen van de gletsjer en de Grünausee, die nu veel beter zichtbaar was. Je kon duidelijk zien dat het meer werd afgedamd door de morene van de gletsjer.

Op de bodem van het dal was er duidelijk minder wind. Je moest eerst de rivier komende van de Grünausee oversteken via een smalle plank. Ik kwam nu verschillende mensen tegen die juist van de Sulzenau Hütte vertrokken waren. De weg liep nu over een hoge en lange morenewand tussen de rivier die ik zonet overgestoken had en de rivier die het smeltwater van de gletsjer vervoerde. De verschillende armen van deze laatste rivier moest ik na een tijd ook over. Om dan weer over de bescheidenere morenewand langs de andere kant van de rivier te klimmen. Na nog wat stijgen en dalen bereikte ik al snel de Sulzenau Hütte (2191m). De hut ligt in het dal van de Sulzaubach, dat het smeltwater vervoert van de Sulzenauferner. Vlak achter de hut ligt een steile afgrond die uitgeeft op een vlakke kom. De Sulzaubach en de twee rivieren van het Grünautal storten zich hier in de diepte. Achter de kom ligt weer een afgrond en het is over die afgrond dat de Sulzaubach zich via de Grabafall in het Mutterberger Tal (Stubaital) stort.

SulzaubachIn de hut is er niemand. De eigenaar is de vloer aan het dweilen en ik vraag een cola. Wanneer ik terug buiten kom is het gestopt met regenen en schijnt de zon af en toe flauw door het altostratusdek heen. Nu moet ik beginnen aan de klim naar de Peiljoch (2672m). Eerst gaat de weg over een vlak stuk (het eerste echte vlak stuk weg in vier dagen) waar de Sulzaubach breed in verschillende armen over stroomt. De Sulzenauferner komt nu in zicht.

SulzaubachHet pad begon al snel te stijgen en na een tijdje kwam ik aan een gevaarlijke passage. Er moest een rotswand gepasseerd worden via houten planken die vastgebonden waren op stangen die in de rotswand waren geboord. Na deze passage werd de gigantische morene van de Sulzenauferner beklommen. De weg liep een tijdje licht stijgend over de rug van deze morene verder, waarop je een mooi zicht had op de gletsjer. Bij mooi weer kan je hier de hele gletsjer zien en de Zuckerhütl (3507m en hoogste top van de Stubaier Alpen) die als een piramide door de gletsjer priemt.

PeiljochOndertussen waaide het opnieuw stevig door het stijgen en bij momenten regende het af en toe lichtjes. Op een gegeven moment verliet de weg de morene om dan steil, maar zonder problemen de laatste honderd meter te stijgen naar de col. De Peiljoch (2672m) was overal volgestapeld met steenmannen. Sommige wel zo’n twee meter hoog.

Vanaf nu verliet ik het mooie uitzicht op de Sulzenauferner en begon de afdaling naar de Dresdner Hütte (2308m) in het Fernautal. De afdaling was bij momenten steil en er waren ook enkele kabelpassages, maar moeilijkheden deden zich niet voor. Het uitzicht was tijdens de afdaling veel weidser dan tijdens de klim. Je had een overzicht over het hele skigebied van de Stubaiergletsjer (in feite de Schaufelferner en de Daunkogelferner), maar echt grandioos was het zicht niet, want de kabelbaan die door het dal liep en de vele stoeltjes – en sleepliften maken het zicht onaantrekkelijk.

PeiljochIn de Dresdner Hütte at ik een stuk chocoladecake. De hut is veel groter dan de overige hutten die ik tot nog toe was tegengekomen, omdat er vaak ook skiërs overnachten. Het was bijna 14h00 toen ik terug vertrok. Er stond nog steeds een koude wind en af en toe durfde het nog eens lichtjes te regenen. De weg liep nu naar een kleine col, wiens naam weer niet op de kaart staat. De beklimming was niet te steil en zo was ook de afdaling. Daarna kwam het pad op een brede grindweg terecht die wel eens gebruikt werd door een vrachtwagen bleek later. Hier passeerde ik de meeste mensen die van de Regensburger Hütte kwamen en hun doel voor vandaag, de Dresdner Hütte bijna hadden bereikt. Lang ging het niet over deze grindweg naar beneden. Al gauw moest weer een pad links ingeslagen worden dat de berghelling volgde en geleidelijk hoogte won. Na een tijdje verliet ik het pad om tussen de rotsen even te pauzeren.

Het was helemaal niet ver meer naar de Mutterberger See, waar ik een plaats zou zoeken om te overnachten. Om het meer te bereiken moest het normale pad verlaten worden en over een klein paadje wat steiler geklommen worden. De Mutterberger See (2483m) was een aantrekkelijk meer, maar toch minder indrukwekkend dan de Lautersee. Aan de oostkant van het meer lagen nog enkele kleine plasjes, waartussen ik uiteindelijk mijn Akto opstelde. Ik besloot om nog geen foto’s te nemen in de hoop dat het weer morgen beter zou zijn. Na het eten ging ik zoals gewoonlijk weer direct slapen want het was dan ondertussen al 21h. Die nacht waaide het heel hard, ook omdat de tent in een open gebied stond en dus niet beschut lag tussen de bergen. De voorkant van de tent werd bij momenten serieus platgedrukt. Hoewel ik af en toe wakker werd van het lawaai van het flapperen van mijn tent, sliep ik bij wonder toch redelijk goed.

Afstand : 15km
Duur : 9h30

De volgende morgen stond ik om halfzes op. Het was ijskoud buiten en het waaide nog hard. Met trui en regenjas aan, mijn muts op mijn hoofd en mijn handschoenen aan was het nog heel koud. Maar één ding viel al mee. Het was mooi weer en er waren helemaal geen wolken te zien, enkel een blauwe lucht. Zowat alle bergen waren nu te zien. Van de Wilde Freiger (3418m), Wilder Pfaff (3456m), Zuckerhütl (3507m), Schaufel Spitze (3332m), Stubaier Wild Spitze (3341m), Daunkogel (3330m) tot de Hintere Daunkopf (3225m). Toen de zon boven de bergen zichtbaar werd ging de wind plots in enkele minuten volledig liggen. Zo werd het toch nog vrij aangenaam in de zon. Wanneer ik mijn rugzak had klaargemaakt nam ik nog enkele foto’s van de omgeving, terwijl er wolken vanuit het Öetztal het Stubaital probeerden in te glijden, maar boven de gletsjer oplosten.

Mutterberger See

De weg daalde nu geleidelijk ten oosten van de Mutterberger See naar de eigenlijke weg in de richting van de Neue Regensburger Hütte. Net voor ik het hoofdpaadje bereikte passeerde ik langs een moeras met daarin een langzaam meanderend beekje, iets wat ik al eerder was tegengekomen. Wanneer ik weer op het juiste pad terechtkwam kwam ik de ene kudde schapen na de andere tegen. Het enige nadeel was dat ze hun behoeften blijkbaar enkel op het paadje lieten vallen.  

MutterbergDe weg liep nu langs de noordflank van het Mutterberger Tal en bleef ongeveer op dezelfde hoogte lopen, op uitzondering van enkele kleine stukjes klimmen. Wat verder kwam ik weer een grote kudde schapen tegen en beneden lag er weer een moerasje.

Opeens liep het pad niet meer door met gras begroeide hellingen, maar moest ik lichtjes stijgen over een lange puinhelling van grote rotsblokken. Geleidelijk moest er steiler geklommen worden en ik voelde voor het eerst dat mijn benen zwak waren. Het was onmogelijk om constant te blijven klimmen omdat mijn benen dat op dat moment niet aankonden. Ik klom altijd een stukje en rustte dan even uit. Waarschijnlijk was de slechte nachtrust van de voorbije nacht de oorzaak voor mijn zwakkere benen. Wanneer ik de lange puinhelling was overgestoken rustte ik uit bij een klaterend beekje. Ik nam van de tijd gebruik om een powerbar te eten, in de hoop dat het wat zou helpen. De weg bleef verder licht stijgen tot een kleine col. Daarna kwam ik in het Ruderhof terecht, een zeer steil hangend dal onder de Ruderhofspitze. De weg liep langs de zeer steile berghelling met rechts de diepe afgrond naar het Mutterberger Tal waar je meer dan 1000m lager soms een auto op de weg kon zien rijden.

GrabagrubenniederNa het Ruderhof kwam ik, weer via een kleine col met een zeer steile kabelpassage, boven aan de Nockgrube uit. Ik bevond me nu al ruim boven de 2700m en de weg bevatte veel gevaarlijke passages die met kabels beveiligd waren. De weg bleef verder lichtjes stijgen langs steile rotswanden tot aan de Grabagrubennieder (2881m), de hoogste col die ik zal beklimmen.

Op de Grabagrubennieder stonden veel mensen uit te rusten die van de Neue Regensburger Hütte kwamen. Naar die hut ging de weg nu verder. Het eerste deel van de afdaling van de Grabagrubennieder het Falbesoner Tal in was zeer steil. Al gauw liep het pad dood op een moreneveld vol met losse stenen. Hier was het voorzichtig afdalen over de onstabiele ondergrond. Je kon zien dat de weg recent opnieuw was gemarkeerd met rode verfbolletjes. Wanneer het steilste deel achter de rug was kon je op sommige plaatsen zien dat onder de stenen en grote rotsblokken een dik pak ijs lag afkomstig van de Hochmoos Ferner die hier wat hoger ligt. Op sommige plaatsen waren lange palen in de dikke massa stenen geplaatst om de juiste weg aan te duiden.

Hochmoos FernerNa een tijd, wanneer ik over de morene heen was, kwam ik terug op het pad terecht. Rechts was nu de verwilderde Falbesoner Bach te zien, die ik zonet had horen stromen onder de rotsblokken en ijsmassa, want ze stroomde onder de morene onderdoor. Ik wandelde even tot aan het water en zag dat het zwaar met sediment beladen was. Wat verder klom ik weer even van de weg om de Falbesoner See te bereiken. Dit meer had een felgroene kleur en was afgedamd door de morene van de Hochmoos Ferner.

Hohes MoosDe weg daalde nu geleidelijk af naar de Neue Regensburger Hütte. Na een tijd kwam ik bij het grote moeras in het dal uit, het Hohes Moos. De weg liep links van het moeras over de rotsblokken, maar ik probeerde even een gemakkelijker pad over platte stenen die in het moeras waren aangelegd. Spijtig genoeg hield dit paadje op en moest ik even door de modder naar de juiste weg. Toen ik een klein helder beekje passeerde dat links uit de bergen kwam stopte ik even om water bij te vullen. Wanneer dat klaar was merkte ik dat op zo’n vijf meter van het beekje een rottend kadaver van een schaap lag tussen de rotsen. Net voor de Neue Regensburger Hütte (2286m) nam ik nog een foto van het moeras en het dal.

In de hut at ik Gulachsuppe. Het was er druk binnen, maar ook buiten rondom de hut waren veel dagjesmensen die vanuit het dorpje Falbeson in het Stubaital de weg naar hier hadden gevonden. Het was al iets voor 16h00 toen ik terug vertrok. De weg liep nu eerst vlak langs de noordflank van het dal om dan plots een knik te maken naar het noorden om al zigzaggend de Schrimmennieder (2714m) te beklimmen, de laatste echte col. Alvorens ik aan de klim begon kwam ik nog twee Duitsers tegen, allebei van een jaar of 55 schatte ik. Ze zeiden dat ik mijn wandelstokken veel te kort maakte, maar je moest hen eens zien wandelen met hun handen ter hoogte van hun schouders. Zo lang maakte ze hun stokken.

De beklimming van de Schrimmennieder kende geen enkele moeilijke passage en mijn benen waren hersteld van het zwakke moment in de voormiddag. Boven op de col rustte ik even uit. De bergen aan de overkant van het Oberbergtal verdwenen in de wolken. In die wolkenband waren ook enkele Cumulonimbi verscholen. Het weer was in dit dal duidelijk minder goed dan in het Stubaital.

De afdaling van de Schrimmennieder was niet al te steil en liep eerst over een lange puinhelling en later over grote rotsblokken een klein zijdalletje van het Oberbergtal in. Wanneer ik in de bodem van het dalletje was hoorde ik een beekje diep onder de rotsblokken stromen. De weg splitste hier. Volgens de kaart zou ik naar rechts moeten, maar die weg stond op een steen met een rood kruis aangeduid. De weg naar links stond aangeduid met een pijl “Franz Senn Hütte”, maar stond niet op de kaart. Waarschijnlijk was deze weg recent aangelegd en was de oude weg te gevaarlijk geworden door de steile puinhelling waarover die voerde. Ik nam dus de tweede weg. Hij voerde het dalletje uit via een stuk met enkele kleine waterplasjes naar een kleine col. Zo kwam ik in het zijdalletje ernaast uit. De afdaling van deze col was vrij steil. Dan daalde ik in het dalletje steil verder over rotsblokken langs het beekje. Zo kwam ik op de plaats uit waar beide dalletje op elkaar uitkwamen en de oude weg dus opnieuw bij de nieuwe weg aansloot. Daar sloeg ik terug de oude weg in en steeg even opnieuw het eerste dalletje onder de Schrimmennieder in om daar een geschikte plek te zoeken om mijn tent recht te zetten.

Ik vond niet direct een geschikte plek. De vlakke stukken waren te stenig of de vlakke stukken die met gras begroeid waren lagen vol koeienvlaaien, hoewel er buiten een kudde geiten en schapen tegen de bergflank nergens koeien te bespeuren waren. Uiteindelijk vond ik toch een plek die behoorlijk door de koeien gespaard was gebleven. Wanneer ik mijn tent had rechtgezet, alles geïnstalleerd had en het eten kon beginnen klaarmaken was het al donker aan het worden. Toen ik gegeten had en wou gaan slapen was het buiten al pikkedonker en begon het ook te regenen en het bleef licht regenen tot diep in de nacht.

Afstand : 17km
Duur : 8h00

De volgende morgen werd ik wakker van het alarm van mijn horloge, maar viel daarna direct terug in slaap. Ongeveer een uur later werd ik terug wakker. Het gevolg was dat het uiteindelijk pas 9h00 was wanneer ik kon beginnen met wandelen. Het weer was goed. Het ging een mooie dag worden. Omdat ik tijd over had kon ik het Alpeiner Tal, met achteraan in het dal de Alpeiner Ferner verkennen. In de namiddag zou ik dan vanaf de Franz Senn Hütte naar de Rinnensee klimmen om daar ergens mijn tent op te stellen.

Alpeiner FernerDe weg naar de Franz Senn Hütte bleef ongeveer altijd op dezelfde hoogte. Je had een mooi zicht in het Oberbergtal met op het einde van het dal in de diepte de parkeerplaats, vanwaar dagjesmensen vertrekken naar het Alpeiner Tal. Het duurde langer dan ik verwacht had vooraleer ik de Franz Senn Hütte (2149m) bereikte. Ik ging niet de hut in, maar vervolgde direct mijn weg in het Alpeiner tal. Het dal heeft een heel vlakke bodem waarin de verwilderde Alpeiner Bach stroomt. De weg was dan ook voor een lange tijd heel vlak. Op het einde van het dal liep de weg de rechter morenewand van de Alpeiner Ferner op. Vanaf nu begon de weg soms steil te stijgen en was er één passage over een rotsblok waarin voethaken waren aangebracht. Opnieuw voelde ik het slappe gevoel in mijn benen, maar nu was het minder erg dan gisteren. Uiteindelijk bereikte ik de eindtong van de gletsjer. De weg liep nog een heel eind verder over de morene, maar de bewolking hing zo laag over de gletsjer dat ik besloot om hier al terug te keren over dezelfde weg naar de Franz Senn Hütte. Op mijn terugweg naar de hut liepen er al heel wat dagjesmensen in het dal.

Alpeiner TalHet terras aan de hut zat ondertussen al bomvol en ook in de hut was er veel volk. Ik dronk er limonade, want de cola was op. Ik had geen zin om in de hut eten te bestellen en daarom at ik buiten eventjes van de hut vandaan in het gras een pakje hardkeks met confituur. Dan begon ik de klim naar de Rinnensee. Dit meer ligt hoog tussen de bergen verscholen aan de noordflank van het Alpeiner Tal. Tijdens de klim heb je een prachtig zicht op het dal, de rivier die er doorheen stroomt en de gletsjer.

Alpeiner TalNa een tijd bereikte ik net onder de Rinnensee een kom waar een bank stond, die een mooi uitzicht bood op de gletsjer. Ik rustte even uit op de bank. In deze kom stroomde het beekje dat van de Rinnensee kwam en mondde hier uit in een klein ondiep meertje. Ik zag dat ik hier best straks mijn tent kon opstellen. Ik ging eerst nog verder naar de Rinnensee. De weg slingerde nu steil omhoog tot aan een splitsing waar je de keuze had om links naar de Rinnensee te gaan of rechts de Rinnenspitze (3000m) te beklimmen. Ik nam natuurlijk de linkse weg zodat de mensen die ik al zag afdalen van de Rinnenspitze me niet passeerden. De weg naar het meer bleef lichtjes stijgen en liep steeds meer over grotere rotsblokken. Aan de Rinnensee (2646m) verliet ik de markering en liep over de grote rotsblokken het hele meer rond. De weg liep nog verder over de Obere Rinnengrube naar de Rinnennieder (2899m), maar zover ging ik niet.

RinnenseeIk nam de weg terug naar de kom, waar ik aan de oever van het meertje mijn tent opstelde. Het was rustig weer en er was geen wind. Toch zag ik dat er zich een bui was aan het vormen boven de bergrug. Wanneer mijn tent nog maar net opgesteld was begon het zo’n tien minuten lang te hagelen. Voor de rest van de avond, wanneer ik mijn eten klaarmaakte en op at, begon het nog enkele keren voor korte tijd te hagelen, afgewisseld met droge tussenpozen. Wanneer ik mijn maaltijd op had was het al donker beginnen te worden en ging ik meteen slapen.

Afstand : 21km
Duur : 10h00

Rinnensee bivakDeze etappe zal de minst zware worden. Vandaar dat er een langere afstand gewandeld kon worden. Het was die ochtend weer fris, maar mooi weer. De bergen in het zuiden hingen nog gedeeltelijk in de wolken en nu was te zien dat ze bedekt waren met een dun laagje verse sneeuw. Wanneer ik weer alles ingepakt had vertrok ik voor de afdaling die ik de vorige dag in de tegenovergestelde richting opgeklommen was. Het zicht op de gletsjer en de toppen in de omgeving was nu natuurlijk beter dan gisteren door het nog afwezig zijn van de cumuluswolken.

Franz Senn HütteBeneden kwam ik terug op de weg uit, een tweehonderd meter ten noorden van de Franz Senn Hütte, die langs de noordflank van het Oberbergtal loopt. Even verder had je nog een prachtig zicht op de hut en de bergwereld er rond. Al snel draaide de weg een steil hangend dal in waar een grote kudde schapen aan het grazen was. In dit dal stopte de weg plots. De regoliet was hier over een vijftig meter lengte volledig weggeschoven. Een bordje duidde aan “Achtung Steinschlag”. Het gevaarlijke stuk moest via enkele planken overgestoken worden. Wanneer ik terug op het pad uitkwam draaide de weg naar rechts en begon steil te stijgen om het hangende dal uit te geraken. Van hier uit had je nog een laatste zicht op de bergwereld, want cumuluswolken kwamen vanuit het oosten aangedreven en geleidelijk aan werd de mist dikker en dikker.

Schlikker See SpitzeDe weg liep verder naar de Seduck Hoch Alm (2249m), waar ik even uitrustte en appelsap dronk. Van het uitzicht kon hier niet meer genoten worden. Het zicht bedroeg slechts een dertig meter. Voor het overige deel van de weg in het Oberbergtal bleef het wandelen door de dichte mist. Na een hele tijd lichtjes stijgen kwam ik plots op de Sendersjöchl (2477m) uit, een col tussen het Oberbergtal en het ondiepe Senderstal. Wanneer je nu naar links keek zag je het Senderstal in en aan de horizon kon je de bergtoppen van het Karwendelgebergte waarnemen. Keek je naar rechts dan zag je tegen een muur van mist aan die het Oberbergtal vulde. Op de col zocht ik een plekje achter een rotswand beschut tegen de wind en at daar mijn middagmaaltijd op dat zoals altijd bestond uit hardkeks met confituur als het tenminste niet mogelijk was om in een hut te eten. De col moest niet overgestoken worden. De weg liep vanaf hier verder net onder de bergkam tussen de twee dalen. Na een tijdje kwam ik duidelijk in kalksteen gesteente terecht. Rechts waren enkele dolines zichtbaar op een terras langs de helling. Na een bocht doemde plots de westwand van de Schlikker See Spitze (2804m) voor mij op. Aan de voet van de berg bevindt zich een enorme puinhelling, waarover de weg verder liep.

Hoher BurgstallAlvorens de puinhelling te betreden kwam de weg uit op een col, de Seejoch (2518m). Van hieruit zag je mooi de twee meertjes aan de voet van de Schlikker See Spitze en kon je af en toe de top van de Hoher Burgstall (2611m) waarnemen als de wolkenbasis wat optrok. De westkant van deze berg is net een kopie van de westkant van de Schlikker See Spitze.

De weg liep nu verder over een smal pad op de lange puinhelling van de Schikker See Spitze. Wanneer deze puinhelling overgestoken was kon je even een stukje klimmen naar de Schlikker Scharte (2456m), een col die het dalhoofd vormt van het Schlikkertal. Ik klom naar de col en hoopte daar op een mooi uitzicht in het gelijknamige dal, maar het uitzicht was niet erg de moeite. Je kon onder andere het topje van de Niederer Burgstall zien en de gebouwen van de skiliften aan de Sennjoch. Op de col rustte ik even uit op een steen. Dan daalde ik het stukje terug af naar de weg om vervolgens mijn weg te vervolgen over de lange puinhelling aan de westkant van de Hoher Burgstall.

Na een tijdje kwam de Starkenburger Hütte (2237m) in zicht. Tijdens de korte afdaling naar de hut had je nog een mooi zicht op het Oberbergtal, dat nu wel onder de wolken te zien was, en het Stubaital met de waterval te Gasteig die als een pruts te zien was. In de hut werd het weer Gulaschsuppe. Tijdens mijn kort verblijf in de hut zag ik door het raam dat het plots hagelde. Ik wachtte tot de hagelbui over was en vertrok terug op weg. Nu ging het langs de steile zuidflank van de Hoher Burgstall langs en zelfs tussen de vele lawinebrekers die hier opgesteld staan om Neustift te beschermen tegen de sneeuwlawines, naar de oostkant van de berg waar zich enkele dolines bevinden aan de voet van een col tussen de Hoher en Niederer Burgstall.

Overal hoor je of zie je hier schapen. Het weer werd uiteindelijk beter. De wolkenbasis trok op en de zon begon zelfs te schijnen op de Serleskamm. Ik klom uiteindelijk naar de col tussen de twee Burgstalls en vond er een mooie vlakke plaats om de tent op te zetten. Het enige nadeel was dat er veel schapenkeutels lagen. Vlak bij de col bevond er zich een zitbank waarop ik even mijn rugzak zette om zo naar het topje van de Niederer Burgstall te gaan. In feite was het de moeite niet. Op de top staat een kruis, maar ik vond dat die top geen kruis verdiende. Ik las even in het Gipfelboek en daaruit kon opgemaakt worden dat deze top vrijwel alleen door dagjesmensen beklommen wordt die eens met de kabelbaan hier naar boven komen.

SerlesTerug op de col (ongeveer op 2400m) stelde ik mijn tent op en wanneer ik ging slapen kwam net heel de schapenfamilie rond mijn tent staan. Waarschijnlijk lag ik net op hun vaste slaapplaats. Wanneer ik even uit de tent keek, zag ik dat ze mij maar sip aankeken. Enkele oudere schapen waren al vlak naast mijn tent gaan liggen, andere leken liever ergens anders naartoe te willen gaan. Ondanks hun rinkelende belletjes en ‘mei’-geroep dat soms te horen was, viel ik snel in slaap.

Afstand : 9km
Duur : 3h00

De laatste morgend in de bergen. Het was mooi weer, volledig windstil, niet te koud en de zon scheen, later wanneer ze over de bergen was gerezen, met dikke stralen door het altocumulusdek heen. Wanneer ik mijn tent en alle andere spullen in mijn rugzak had gestopt begon ik aan de klim naar de top van de Hohe Burgstall met een lege maag. Ik wou zo vroeg mogelijk op de top staan om de cumulusontwikkeling in het dal voor te zijn. De top kan vanuit drie richtingen beklommen worden. Ik nam de weg die start vanaf de col. De weg liep eerst kronkelend omhoog over een enorme puinwaaier langs de oostkant van de berg tot aan de steile rotsformatie van de bergtop. Onderweg zag ik dat de schapenfamilie uiteindelijk een vijftig meter verder was gaan overnachten. Ze staarden me constant aan tijdens de klim. Aan de voet van de rotsformatie liet ik mijn rugzak achter en klom zo via de kabels over een steil stuk naar de top (2611m). Het uitzicht was prachtig en een mooi slot voor deze tocht.

StubaitalBeneden zag je op de Starkenburger Hütte. Je had een mooi overzicht op enkele bergen die ik dagen eerder van veel dichterbij had gezien en natuurlijk op de hoogste toppen van de Stubaier Alpen. Voor de allereerste keer zag ik uiteindelijk de top van de Habicht (3277m). In het westen kon je de Olperer (3476m) zien, die in de Zillertaler Alpen ligt, en zelfs de Hochffeiler (3510m), die net in Italië ligt. In het zuiden waren nu de raar gevormde toppen van het Geschnitztal over de Serleskamm te zien, die tijdens de mistige verregende tweede dag volledig onzichtbaar waren gebleven. In het noordoosten zag je op de Patscherkofel (2246m) en het brede dal van de Inn, met Innsbruck net naast de Kalkkögel.

OberbergtalMeer dan een half uur heb ik hier in de eerste zonnestralen van de dag op deze top van het uitzicht blijven genieten. Wanneer ik zag dat de trekkers, die de nacht in de Starkenburger Hütte hadden doorgebracht, vanaf de hut vertrokken, begon ik weer aan de afdaling. Onderweg raapte ik mijn rugzak terug op en liep terug naar de zitbank aan de col, waar ik mijn laatste portie hardkeks op at. Via de Sennjoch (2190m) liep de weg dan gestaag dalend naar het eindstation van de kabelbaan op de Kreuzjoch (2108m).

SchlikkertalToen ik hier aankwam was het al 9h00 gepasseerd en kwamen de eerste dagtoeristen massaal via de kabelbaan naar boven. Vanaf hier begon de vermoeiende afdaling naar Fulpmes, dat 1171m lager ligt in het Stubaital. Ik nam de weg die zigzaggend onder de kabelbaan heen loopt naar het dal. De weg liep steil naar beneden en na de eerste honderd meter gedaald te hebben kwam ik aan de eerste bomen. Het was een raar zicht, om na een week boven de boomgrens doorgebracht te hebben, terug een boom van dichtbij te zien. Al snel wandelde ik door het bos van bergdennen. Het werd ook opmerkelijk warmer. Na een heel tijdje dalen buigde de weg af van de kabelbaan en ging het via enkele kleine open plekken in het bos, waar enkele koeien graasden naar de Galt Alm (1634m). Vanaf de Alm liep de weg nu over een brede kiezelweg door bos en kleine weiden verder naar Froneben waar de kiezelweg overging in een smalle asfaltweg. Daar nam ik dan een klein paadje door het bos om de asfaltweg te vermeiden. Dit paadje kwam weer uit op een onaangename kiezelweg waarop het laatste stuk werd afgedaald naar Fulpmes (937m).

In het dal was het erg warm. Ik zocht zo vlug mogelijk een telefooncel in het dorp en belde naar huis. Daarna kocht ik in een bakker enkele koffiekoeken die ik op een pleintje opat. Omdat het nog vroeg in de middag was en mijn trein te Innsbruck pas ‘s avonds vertrok heb ik dan nog een wandeling door het dal gemaakt langs de verschillende kleine dorpjes: Telfes, Gagers en Plöven. Op de bus naar Innsbruck keek ik nog eens naar de Kalkkögel. Zeven dagen eerder vond ik dit uitzicht vanuit het dal mooi. Nu was het niets in vergelijking met wat ik in die week gezien heb. Wanneer ik dan in Innsbrück de trein opstap kondigt een stevig onweer het einde van deze warme nazomerdag aan en meteen ook van mijn avontuur.

  • Begin september 2003 maakte ik een allereerste 10 daagse solotrekking in de Pyreneeën. Deze speelde zich af in de regio van de Cirque de Gavarnie en de Ordesa met nog een uitloper naar de Vignemale.
  • Foto’s kan je hier bekijken, of via een fotostream.

Heenreis

In Antwerpen-Berchem met de trein vertrokken naar Brussel–Zuid, om daar met de Thalys van 20h40 naar Parijs Gare du Nord te reizen. Even voor Parijs stopte de trein. Men kondigde aan dat er problemen waren met de stroomverbinding en dat de trein met een half uur vertraging Parijs zou bereiken. Uiteindelijk kwam ik om 22h45 aan in Paris Nord. Dat was veertig minuten later dan voorzien. Met de metro reisde ik vervolgens naar Gare de Montparnasse, alwaar de TGV voor Lourdes omstreeks tien minuten voor middernacht vertok. Er zat niet zo veel volk op deze trein zodat je eigenlijk kon gaan zitten waar je zelf wilde. Ik probeerde zo veel mogelijk te slapen, maar erg goed lukte dat niet. Stipt om 06h02, zoals voorzien kwam de trein in Lourdes aan.

Het was nog pikkedonker. Voor het station bevindt zich een kleine parking, alwaar ook de bus klaar stond voor Cauterets. Op het bordje bij de bushalte las ik dat de eerste bus voor Cauterets om 08h12 vertrok. In het station vroeg ik aan het loket waar ik mijn busreis voor Luz-St.-Sauveur kon reserveren. Natuurlijk was dit aan het stationloket zelf. Wanneer ik mijn biljet had zocht ik buiten een plaatsje om te wachten tot het tijdstip waarop de bus zou vertrekken. Dat vond ik even voor het station op een klein parkje, dat eigenlijk ook een parking was. Ik ging op een bankje zitten en at een deel van mijn sandwiches op. Er stond een frisse wind die vanuit de bergen waaide. Geleidelijk werd het minder donker en kon ik de contouren van de bergen waarnemen in de verte. Toen de zon opkwam omstreeks kwart voor zeven kleurde het altocumulusdek in het oosten even in een paarsrode tint. Ondanks de middelbare wolkenvelden was het behoorlijk weer.

Na een hele poos wachten op het bankje ging ik dan naar de bushalte toe. Er waren nog enkele toeristen die de bus namen. De bagageruimte zat dan ook vol met rugzakken, met die van mij helemaal achterin. Vanuit Lourdes reed de bus het dal van de Gave de Pau in, terwijl de bergwereld steeds indrukwekkender werd. Net voor het bereiken van het dorpje Pierrefitte-Nestalas waren in de verte enkele met sneeuw bedekte bergtoppen te zien. Nabij dit dorp lopen twee nauwe dalen samen, namelijk dat van de Gave de Cauterets en de Gave de Gavarnie en vormen vanaf daar het brede dal van de Gave de Pau. In dit dorp moest ik overstappen op een andere bus voor Luz-St.-Sauveur.

Het ging nu door het nauwe dal van de Gave de Gavarnie, waar de rivier zich diep in de rotsen heeft ingesneden en zich op sommige plaatsen door een kloof wringt. Al gauw bereikten we Luz, waar ik uitstapte. De bus reed nog verder naar het dorpje Barèges dat reeds op de flanken van de uit de Ronde van Frankrijk bekende Col de Tourmalet bevindt. In Luz las ik op een thermometer 13°C af. Het was kwart over negen en ik was klaar voor een lange voettocht.

Afstand : 24,5km
Duur : 6h55

Klimmen : 1240m
Dalen : 130m

In Luz (710m) volgde ik de altijd de licht stijgende autoweg verder door het dal. Na het gehuchtje Sia bereikte ik het dorpje Pragnères (910m), waar een waterkrachtcentrale gevestigd is. Toen ik er passeerde landde net de berghelikopter er even op het grasveld naast de rivier en steeg daarna weer snel terug op om weer tussen de bergen te verdwijnen. Om twintig over elf kwam ik uiteindelijk in het dorp Gèdre (1025m) aan.

Op het dorpspleintje at ik weer enkele sandwiches en dronk ik mijn flesje water leeg dat ik op de trein naar Lourdes had gekregen. Na twintig minuten vertok ik weer. Vanaf nu was het gedaan met de asfaltweg en begon een stevige klim over een pad de bergen in. Ik volgde de bordjes die Lac des Gloriettes en Vallée d’Estaubé aanduiden. De klim was steil en kronkelde door het loofbos. Het was warm en de wolkenvelden waren niet zo talrijk meer zodat de zon vrij fel scheen. Mijn benen voelden niet al te best aan en na slechts een korte tijd klimmen stopte ik al om even uit te rusten. Ik zweette erg, ritste daarom de onderpijpen van mijn broek en deed mijn trui uit. Daarna vertrok ik weer. Toen ik op een open plek kwam uit het bos, werd ik enorm geplaagd door vliegen. Na een tijdje stopte ik weer om uit te rusten. Ik had dorst, maar had nog geen water omdat ik nog geen beekje was tegengekomen. Nog steeds waren er vervelende vliegen die voortdurend op je lijf kwamen zitten. Ik mepte er zoveel mogelijk dood.

Lac des GloriettesIk vertok weer en na een poosje werd de klim minder steil en volgde nu de berghelling naar het zuidoosten. Het bos werd opener en maakte snel plaats voor bergweide en struikgewas. Ik kwam een eerste klein beekje tegen waar ik probeerde water te verzamelen, maar het lukte niet. Het beekje was te klein en daarom liep ik weer verder. Vanaf nu was de weg vlak en liep over een soort vlak terras op de berghelling waarop verspreid enkele cabanes stonden. Bij één van die cabanes was een herder bezig zijn schapen bijeen te drijven. Plots zag ik een enorm grote vogel vrij dichtbij langs de berghelling voorbij vliegen en ik stopte even om hem te bewonderen. Het was een lammergier, één van de drie giersoorten die in de Pyreneeën voorkomen. De spanwijdte van zijn vleugels was enorm groot en je hoorde een suizend geluid van de lucht die langs zijn vleugels stroomde als hij voorbij vloog. Wanneer hij in de verte uit het zicht verdween liep ik weer verder.

Achteraan in het dal zag je op het oostelijk deel van de Cirque de Troumouse met drie herkenbare toppen : de geïsoleerde Pic de Gerbats (2904m), de vlakke Pic de Troumouse (3085m) en vlak daarnaast de Pic de la Munia (3133m), de hoogste top van de cirque. Op de flanken van deze berg lagen nog enkele sneeuwvelden. Later zal ik deze top nog vanuit Spanje zien, maar dan bedekt met het eerste verse pak herfstsneeuw. Na een korte tijd kwam ik een klaterend beekje tegen. Hier stopte ik om mijn drinkzak helemaal te vullen. Onder een watervalletje ging het gemakkelijk. De weg liep nog steeds verder over het terras, maar het einde kwam snel in zicht. Rechts kwam het Vallée d’Estaubé in zicht, een zijdal van het dal van de Gave de Héas, waardoor ik sinds Gèdre wandelde. Net voor de korte afdaling tot in het Vallée d’Estaubé rustte ik nog even uit. Ik dronk wat en at mijn enige pakje powergel op. Het dalhoofd van het Vallée d’Estaubé wordt gevormd door de kleine Cirque d’Estaubé die van hieruit bijna volledig te zien was. Hierin was duidelijk de Brèche de Tuquerouye te zien, de steile bergpas waardoor ik voor het eerst Spanje zal binnensluipen. Achter in dit dal was het zwaar bewolkt en de top van de Grand Astazou (3071m), de hoogste berg van de cirque reikte net tot in de wolken. Door de Brèche de Tuquerouye was even een stuk van een gletsjer te zien. Dit was natuurlijk de gletsjer op de noordwand van de in Spanje gelegen Monte Perdido (3355m), de derde hoogste berg van de Pyreneeën. De Monte Perdido zelf lag volledig in de wolken en was dus helemaal niet te zien.

Ik vertrok weer en volgde de korte afdaling naar het Lac des Gloriettes (1668m) aan het eindpunt van het Vallée d’Estaubé, waar ik aankwam om tien over twee. Dit meer is ingedamd door een kleine stuwdam waar zich een kleine parking bevindt. Hierop stonden enkele auto’s van dagjesmensen die een wandeling maakten door het Vallée d’Estaubé. De wandelweg liep langs de westkant van het meer het dal in en volgde dan de rivier. De weg verliep meestal vlak met soms een stukje waar wat gestegen moest worden. Ik kwam veel dagjesmensen tegen die terug op weg waren naar het Lac des Gloriettes. Ongeveer midden in het dal trad ik het Parque National des Pyrénées in dat aangekondigd werd met een bord waarop de regels van het park stonden vermeld. Niet veel verder begon rechts de klim naar de Hourquette d’Alans (2430m), de bergpas tussen het Vallée d’Estaubé en het Vallée de Gavarnie. Ik nam niet deze weg, maar liep verder over een vaag paadje door het dal, passeerde de Cabane d’Estaubé (1760m) en kwam dan in een brede vlakte terecht waar een enorme kudde witte en bruine koeien graasden. Ondertussen was het twintig over drie en begon het licht te regenen. Ik stopte om mijn regenjas aan te trekken en de regenhoes over mijn rugzak te bevestigen. Terwijl het harder begon te regenen liep ik verder tot helemaal achter in het dal onder de steile wanden van de cirque. Ik kwam op een tweede vlakte terecht, die eigenlijk een enorme puinwaaier is. Het was tien na vier en het stopte met regenen. Ik zocht een geschikte plek op de vlakte voor mijn tent, maar stelde ze nog niet op, want volgens de regels van het Parque National mag dit pas na 19h00. Ik maakte eten klaar en at het op. Ondertussen gleed er een wolkensliert vanuit Spanje via de Port Neuf de Pinède (2466m), een bergpas in de cirque, langs de bergwand naar beneden en loste op.

Cirque d'EstaubéOm twintig voor zes begon ik dan maar tegen de regels in mijn tent op te stellen, terwijl het weer eventjes regende. Nog een uur later ging ik slapen. Het was betrokken, er stond een vlagerige wind, alle bergtoppen verdwenen in de wolken en al snel begon het te regenen. Ik viel snel in slaap. ’s Nachts werd ik een eerste keer wakker van een luidde donderslag die lang bleef narommelen tussen de bergen. Later in de nacht werd ik nog eens wakker. De wind was gaan liggen, maar het regende hard en het bliksemde. Na de donderslag viel ik weer in slaap.

Om 6h15 werd ik wakker van het alarm van mijn horloge. Buiten was het nog pikkedonker, maar ik wou vroeg opstaan om de Piméné (2801m) te beklimmen, een gemakkelijk te beklimmen berg die ongetwijfeld de mooiste uitzichtsberg is voor de Cirque de Gavarnie en de Cirque d’Estaubé. Maar het regende nog steeds en mijn beslissing om te wachten op beter weer was snel gemaakt. De Piméné wou ik voor geen geld overslaan en daarom probeerde ik maar terug te slapen.

Om halfacht ritste ik mijn binnentent open. Op het grondzeil lag een hele plas water. Dat was niet zo best. Ook onder mijn rugzak ontdekte ik een plas water. Dat was nog erger, want het water was mijn rugzak binnengedrongen en alles wat vooraan in mijn rugzak lag was nu kletsnat. Mijn handdoek en het wc-papier waren doorweekt en momenteel niet meer te gebruiken. Ik werkte het water op het grondzeil naar buiten en ging dan uit de tent om te controleren of het grondzeil overal goed onder het tentzeil stak, zodat er geen druppels van het tentzeil op het grondzeil meer konden vallen en zo de tent binnendringen. Dit was enkel aan de voordeur van de tent het geval. Ik stak daar maar de plastieken colafles onder het grondzeil om het probleem te verhelpen. Later merkte ik ook dat er water naar binnen druppelde via het lintje van de tentdeur, iets wat ik al langer wist dat dat gebeurde, maar dat kon de grote plassen van deze nacht niet alleen veroorzaakt hebben.

Toen ik buiten was merkte ik ook dat het natuurlijke geultje in het gras op één meter naast mijn tent veranderd was in een stromend beekje. De wolkenbasis hing op 2400m schatte ik en er stond weer terug een strakke wakkerende wind. Ik kroop weer snel in mijn tent en at de laatste sandwiches op. Om tien na acht hoorde ik koeienbellen naderen. Ik keek naar buiten via het ventilatiegat boven aan de tentdeur en zag dat de hele kudde bruine koeien, die gisteren nog op de eerste vlakte in het dal stonden te grazen, nu met zijn allen in mijn richting uit kwamen gewandeld. De kudde passeerde langzaam mijn tent en sommige koeien bleven even naast mijn tent staan alsof ze zich afvroegen van “wat staat hier nu?” De kudde telde ook veel kalveren die steeds dicht bij hun moeder bleven.

Om negen uur kroop ik terug in mijn slaapzak en probeerde te slapen. Het regende ondertussen steeds harder en soms deed een stevige rukwind het tentzeil luidruchtig wapperen. Op mijn horloge las ik op een gegeven moment 6,8°C af. Rond elf uur keek ik nog eens naar buiten. De wolkenbasis was nu erg gezakt en hing rond 2000m. Af en toe hoorde ik de bellen rinkelen van de koeien die zo’n honderd meter van mijn tent stonden dicht bij de waterval achter in de cirque. Ook hoorde ik de belletjes van de kudde schapen die hier al sinds gisteren wat hoger op de berghelling stond te schuilen tegen een loodrechte rotswand die wat beschutting bood tegen de regen. Om 11h25 trok een eerste deel van de kudde koeien weer snel terug voorbij. Voor sommigen was het hier blijkbaar toch niet zo naar hun zin. Om 12h15 trok dan de rest van de kudde voorbij. Er stond nog steeds een vlagerige wind en wanneer ik naar buiten keek zag ik de regen als gordijnen, voort geblazen door de wind, naar beneden vallen. De wolkenbasis hing onveranderd rond 2000m. Ondertussen was het 8,2°C in mijn tent. Nog wat later begon het voor even zeer hard te regenen en de temperatuur was dan in mijn tent opgelopen tot 9,5°C. Ik keek nog eens naar buiten en zag dat het waterniveau in de rivier op zo’n vijftig meter van mijn tent erg gestegen was.

Om 13h00 trok ik dan mijn regenjas en regenbroek aan en trok naar buiten. Wanneer ik juist mijn tent uitkroop liep er net een koe mijn tent in een drafje voorbij. Ze had blijkbaar op één of andere manier niet gemerkt dat de kudde teruggetrokken was en ging nu weer haastig op zoek naar haar soortgenoten. Ik ging eens naar de rivier kijken. Snel ging ik weer de tent in en op dat moment begon het weer eens voor een tijdje zeer hard te regenen. Ik kroop terug in mijn slaapzak en at een pakje hardkeks met wat honing en een potje siroop. Dan checkte ik nog eens mijn horloge. Het was nu 8,9°C en de hoogtemeter duidde niet meer 1820m aan, maar 1800m. Dat betekende dat de luchtdruk langzaam wat gestegen was. Indien de luchtdruk met meer dan 5 hPa stijgt binnen 12 uur kan je er vrij zeker van zijn dat het weer snel betert. 5 hPa komt ongeveer overeen met 50 meter hoogteverschil in de bergen. Ik wist dus dat als mijn hoogtemeter voor deze avond een hoogte lager dan 1770m aanduidde het er goed uit zag voor de volgende dag. Ik dacht ook na over de hoogte vanaf waar de neerslag als sneeuw zou vallen. Gezien de temperaturen schatte ik dat het vanaf zo’n 2700m hoogte moest sneeuwen. Ik probeerde weer wat te slapen en wat later begon het weer eens voor even met grote druppels zeer hard te regenen. Ik keek op mijn horloge en zag dat het 14h13 was en 9,4°C. Daarna heb ik een lange tijd geslapen.

Rond halfzeven was ik weer wakker en ging naar buiten met regenjas en regenbroek aan om het avondeten buiten klaar te maken. Het was even fel geminderd met regenen, maar nog steeds vielen kleine druppels naar beneden. De wolkenbasis begon te stijgen en het onderste gedeelte van de cirque werd weer zichtbaar. Opeens merkte ik een klein stukje blauwe hemel tussen de wolken op, maar het bleef regenen. De wolkenbasis steeg geleidelijk op tot 2500m en opeens schrok ik. Ik zag dat de berghellingen ongeveer vanaf 2400m spierwit zagen. Het had inderdaad al die tijd gesneeuwd in de bergen, maar tot een lagere hoogte dan ik gedacht had. Ik at mijn eten buiten op, hoewel het koud was met mijn blote voeten in mijn sloefen. Mijn voeten kleurden helemaal rood van de kou, maar ik wou buiten blijven om naar de besneeuwde berghellingen te kijken die af en toe onder de wolken verschenen. Wanneer ik mijn eten op had maakte ik een kort wandelingetje. De koeien waren ondertussen teruggekeerd wanneer ik geslapen had. De wolken kwamen in een snelle vaart vanuit het noorden aangeraasd en vertraagden duidelijk in de cirque om over de hoge bergwand te stijgen. De Port Neuf de Pinède (2466m), de diepe bergpas bovenaan in de cirque, fungeerde duidelijk als tochtgat. De bergpas bleef steeds onzichtbaar door de wolken, maar je zag duidelijk dat de wolken er langzaam naar toe trokken. De Hourquette d’Alans (2430m) werd wel even zichtbaar en er lag duidelijk sneeuw op die pas.

Vanuit het noorden zag ik dat het weldra weer harder zou gaan regenen omdat er weer zeer laaghangende wolken het dal inzweefden. Ik kroop terug mijn tent in en al snel begon het terug hard te regenen en te waaien. De hoogtemeter duidde 1780m aan. De luchtdruk was dus nog niet erg sterk gestegen, maar die enkele opklaring voorspelde al wel veel goeds. Mijn handen en voeten waren erg koud. Ik had erg veel moeite om de rits van mijn tent en daarna die van mijn slaapzak dicht te ritsen door mijn koude vingers. Vooral de vingers van mijn linkerhand kon ik nog nauwelijks bewegen. Om tien over acht ging ik slapen, maar snel viel ik niet in slaap. Ik had dan ook immers van heel de dag niets gedaan. Mijn handen werden snel terug warmer wanneer ik ze opwarmde tussen mijn benen. Mijn voeten bleven nog voor langer dan een uur erg koud. Uiteindelijk viel ik toch in slaap.

Afstand : 22,0km
Duur: 10h45

Klimmen : 1860m
Dalen : 1080m

Midden in de nacht werd ik wakker. Ik moest dringend plassen en daarom kroop ik, in trui en onderbroek uit mijn tent. Het was rond vier uur in de nacht en na ongeveer 32 uren onafgebroken regen was het nu droog geworden. Rond de valleiwanden hingen nog veel wolken, maar tussen de wolken was de donkere sterrenhemel zichtbaar en toeval of niet, de maan scheen precies door het nauwe gat van de Brèche de Tuquerouye (2666m). Om sneeuw te zien was het te donker. Ik kroop snel terug in mijn slaapzak en sliep verder. Om 6h40 werd ik gewekt door het alarm van mijn horloge. Ik kleedde me aan, ging snel naar buiten en zag dat het nog goed donker was. Er hingen nog steeds enkele wolkenslierten rond de valleiwanden en naarmate het lichter werd, werden ook de besneeuwde bergen zichtbaar. De sneeuwgrens was nu blijkbaar al wat opgetrokken en ik schatte ze op 2500m. De koeien lagen allemaal verspreid op een kleine afstand van mijn tent. Hoewel het snel licht werd bleven ze nog lange tijd verder rusten. Als ontbijt at ik een pakje hardkeks en daarna pakte ik alles in, terwijl een koe me al die tijd bleef aanstaren. Als laatste brak ik de buitentent af en wanneer ik dat deed merkte ik dat de regendruppels langs de ene kant van mijn tent vastgevroren waren. Dat gaf weer ijskoude handen, want niets is erger dan een bevroren tent inpakken.

Grand AstazouOndertussen waren alle wolken opgelost en restte een felblauwe lucht die afstak tegen de besneeuwde bergen. Om kwart voor negen begon ik dan met wandelen. Eerst nog met handschoenen aan om snel terug warme handen te krijgen. Een duidelijk wandelpad was er niet. Ik volgde het koeienpad dichtbij de rivier richting Cabane d’Estaubé. Helemaal terug tot de cabane ging ik niet. Op een gegeven moment kwam ik bij een betonnen brugje dat van de oever naar een grote rots midden in de rivier loopt. Voor ik de rivier hier overstak nam ik nog een foto van de besneeuwde Grand Astazou (3071m), de hoogste top in de Cirque d’Estaubé. Dan stak ik de rivier over, via het brugje tot op de rots. Om het tweede stuk van de rivier over te steken met mijn zware rugzak moest er wat hachelijk gemanoeuvreerd worden. Wanneer ik op de andere oever was moest ik nu steil stijgen door weide, waar verspreid weer enkele koeien stonden te grazen, tot ik op het bergpad kwam dat naar de Hourquette d’Alans loopt.

Al snel kwam ik op het pad en begon aan de regelmatig stijgende klim naar de bergpas. Al gauw steeg ik boven de schaduw uit van de bergen aan de oostkant van de vallei en wandelde dan in de felle zon. Even later stopte ik dan ook om mijn jas en trui uit te trekken. De klim liep nu verder met regelmatig een haarspeldbocht. Het uitzicht op de besneeuwde bergen werd steeds indrukwekkender en als je het dal uitkeek, zag je in het noorden op het Massif de Néouvielle, waar blijkbaar erg veel sneeuw gevallen was. Op een gegeven moment verscheen
er een alpenmarmot voor mij op een rots. Wanneer ik te dicht kwam begon hij te fluiten, terwijl hij mooi rechtop zat. Wanneer ik de eerstvolgende haarspeldbocht nam zag ik de rest van de familie. Ze huppelden snel weg achter de rotsen.

Vallée d'OssoueIk klom verder en wanneer ik een vijftigtal meter onder de bergpas kwam, kwam ik de eerste hoopjes sneeuwresten tegen. Nog wat hoger lag er verspreid wat meer sneeuw. Toen ik op de bergpas aankwam om halfelf werd ik overdonderd door het zicht op het Vignemalemassief. Ook daar was veel sneeuw gevallen en de sneeuwgrens was met een duidelijke horizontale lijn zichtbaar. De Cirque de Gavarnie was niet helemaal zichtbaar, de Taillon (3144m) en de Brèche de Roland (2807m) waren wel te zien. In het noorden zag je op de Piméné (2801m) en de Petit Piméné (2667m). Beide bergen waren ook bedekt door een laag sneeuw. Onder de bergpas lag een kleine vlakte in het brede open zijdal. Hierop bevonden zich enkele meertjes en aan de rand van deze vlakte was de Refuge des Espuguettes (2043m) te zien. De bergpas zelf is in feite een diepe groeve in de raar gekleurde rotsen. Net ten zuiden van de pas ligt de Pic Rouge de Pailla (2780m) en zoals de naam van deze berg al zegt, was de kleur van de rotsen rood, maar de bergpas zelf bevond zich nog in de lichtbruine rotsen. Ik rustte even uit op de pas en at een stukje van het bananenbrood. Op de pas lag geen sneeuw meer, in tegenstelling tot gisterenavond toen ik vanuit het Vallée d’Estaubé zag dat de pas in de sneeuw lag.

Even later vertrok ik weer en daalde nu af in de richting van de Refuge des Espuguettes. Helemaal tot de berghut ging ik niet. Ongeveer halfweg tussen de Hourquette d’Alans en de refuge, sloeg ik rechtsaf op een bergpad dat weer via vele haarspeldbochten naar omhoog kronkelde. Bij de afslag stonden de gele bordjes van het Parque National die de weg aanwijzen. Het pad leidt tot de Piméné (2801m), de hoogste top in de bergkam ten noorden van de Hourquette d’Alans. Reeds na enkele haarspeldbochten kwam ik terug de eerste sneeuwhoopjes tegen en wat later wandelde ik over een volledig met sneeuw bedekte berghelling. Ook het bergpad was dicht gesneeuwd. Ik wandelde nu wat langzamer en voorzichtiger en zette mijn voeten in de voetsporen van de mensen die hier wat eerder ook naar boven waren gegaan.

Cirque de GavarnieOp een brede col boven op de bergkam zag ik twee mensen uitrusten. Niet veel later kwam ik hier ook aan. Ze vroegen of ik van Gavarnie kwam, maar ik antwoordde dat ik vanuit het Vallée d’Estaubé kwam via de Hourquette d’Alans. Er stonden meerdere rugzakken langs het bergpad in de sneeuw. De groep was de Piméné gaan beklimmen zonder rugzakken terwijl twee personen bij de rugzakken bleven wachten. Het bergpad liep nu naar het noorden verder langs de andere kant van de bergflank. Ik liep verder door de sneeuw met mijn rugzak, maar het werd een te gevaarlijke onderneming. Het werd te glad onder mijn voeten. Daarom deed ik mijn rugzak af, zette hem veilig tegen de bergflank en liep nu voorzichtig, voldoende op mijn wandelstokken steunend verder door de sneeuw. Het pad was niet meer duidelijk te herkennen door de sneeuw, maar ik volgde steeds de voetsporen van de mensen voor me. Even later kwam ik dan de groep tegen. Zij gingen al terug naar beneden. Cirque d'Estaubé Ik kwam uit boven op de bergkam op de dip tussen de Petit Piméné en de Piméné. Ik volgde verder de voetsporen over de nu veel dikkere sneeuw, kronkelend naar boven, steeds dicht bij de bergkam blijvend richting de top van de Piméné. Na een stuk klimmen kwam ik om vijf voor twaalf op 2780m bijna aan de top. Hier stopten ook de voetsporen. De groep was niet helemaal tot de top geklommen en ik zag dat ik dat beter ook niet kon doen. Het laatste stuk naar de top liep over besneeuwde rotsen en kon je alleen maar op handen en voeten overbruggen. Tevens was de afgrond langs beide kanten steil. Het risico wou ik niet nemen. Het uitzicht was wel prachtig: het volledig met sneeuw bedekte Massif de Néouvielle, de Vignemale in het westen, de Cirque de Gavarnie begrensd door de Taillon (3144m) aan de westkant en de Petit Astazou (3012m) en Grand Astazou (3071m) aan de oostkant en natuurlijk ook de Cirque d’Estaubé. De Monte Perdido (3355m) was niet zichtbaar. Een enorme lenticulariswolk bedekte de berg. Opeens zag ik ook dat er midden tussen de sneeuw een meertje lag een hondertal meter onder de top van de Piméné. De donkere kleur van het water stak fel af in die witte wereld. Ik nam snel enkele foto’s en keerde terug. Wanneer ik het hele stuk terug afgedaald was tot bij mijn rugzak nam ik de tijd om te eten en dan vertrok ik terug naar de Hourquette d’Alans.

Toen ik op het laatste stuk van de afdaling van de Piméné was, reeds terug onder de sneeuwgrens, vlogen er plots weer gieren voorbij. Ze kwamen van achter de Petit Piméné gevlogen en twee van hen zweefden verder richting de Hourquette d’Alans om daar ergens op de bergkam te landen. De andere drie cirkelden even rond in mijn omgeving en vlogen terug. Eén van hen was een zeer groot exemplaar, maar niet zo groot als de gier die ik de eerste dag ontmoette. De anderen waren kleiner. Ook bij hen hoorde ik het suizende geluid als ze dichtbij zweefden.

Terug beneden ging ik niet naar de Refuge des Espuguettes. Ik moest vandaag nog het Balcon de Pineta aan de noordwand van de Monte Perdido bereiken in Spanje over de Brèche de Tuquerouye. Indien ik naar de refuge ging om er iets te eten zou ik zeer laat Spanje bereiken en met de sneeuw die waarschijnlijk in de Brèche de Tuquerouye aanwezig zal zijn kon ik alle tijd wel gebruiken om hier voorzichtig te passeren. Ik nam dus weer het pad terug bergop naar de Hourquette d’Alans. Wanneer ik hier omstreeks halftwee aankwam, zat heel de groep mensen die ik onderweg naar de Piméné was tegengekomen hier uit te rusten. Eén van hen sprak me aan. Het werd al snel duidelijk dat het Engelsen waren en we spraken in het engels verder. Hij vroeg of ik tot de top van de Piméné was gegaan en ik antwoordde dat ik net als hun net onder de top was gestopt. Dan vroeg hij waar ik nu naartoe ging. Ik zei dat ik ging proberen naar Spanje te gaan via de Brèche de Tuquerouye. Toen hield hij de leider van de groep erbij, die Justin heette. Hij kende de streek en wist me te vertellen dat de Brèche de Tuquerouye geen gemakkelijke pas is. Hij is zeer steil en zeer gevaarlijk als er sneeuw ligt, vooral dan om af te dalen. Hij dacht eerst dat ik gewoon op de pas eens een kijkje wou gaan nemen naar de Monte Perdido om dan terug te keren, maar daarna had hij door dat ik ging verder trekken, Spanje in. Hij dacht dat dat wel te doen zou zijn. Zolang je maar niet afdaalde langs de zeer steile Franse kant. Hij wenste me nog een fijne dag en ik bedankte hem voor zijn uitleg, hoewel hij me niets nieuws had verteld.

Ik daalde ongeveer een driehonderdtal meter af om dan het minder reguliere pad te nemen richting de brèche en de Port Neuf de Pinède. Het pad liep nu op enige hoogte door de Cirque d’Estaubé en was met steenmannen gemarkeerd. Ik wandelde net onder de steile flanken van de Grand Astazou (3071m) en de Pic de Touquerouye (2819m). De wand van de cirque is zo steil dat er bijna geen sneeuw kon liggen op de rotsen. Achter mij lag de rood gekleurde Pic Rouge de Pailla (2780m). Deze berg was met dunne streepjes sneeuw bedekt volgens de gelaagdheid van het gesteente. Geleidelijk werd er licht gestegen en op een kleine rotsige vlakte kwam ik enkele schapen tegen. Voor me was steeds de Dent de Tuquerouye (2471m) te zien. Het is een grote geïsoleerde tandrots net voor de brèche. De brèche zelf werd nog niet zichtbaar. Ze lag nog verscholen in een couloir tussen de bergen. Nadat ik uiteindelijk bij de splitsing van het pad het rechtse pad nam en zo de weg naar de Port Neuf de Pinède (2466m) had genegeerd liep de weg, na een kort stuk steil klimmen, dood op een slagveld van enorme rotsblokken. Dit was in feite de puinhelling onder de steile wand van de Pic de Tuquerouye, die voornamelijk bestond uit grote rotsblokken die hier opgestapeld liggen nadat ze van de wand zijn afgebroken en gevallen. Hier en daar vond ik eerst nog een steenman, maar al snel hield het op. Erg was dit niet want ik wist dat ik naar de col moest klimmen tussen de Dent de Tuquerouye en de steile wand van de cirque. Langzaam klauterde ik van de ene rotsblok naar de andere en na een tijdje ontdekte ik terug een steenman dicht bij de col. Al snel kwam ik op de col en was deze lastige passage achter de rug, maar gedaan was het nog niet. De steile klim naar de Brèche moest nog komen. Wanneer ik vanop de col naar de couloir keek met boven aan de brèche was ik onder de indruk. Dit zag er straffe kost uit. Boven in de couloir lagen wel enkele sneeuwvelden en onderaan een groot verijst firnveld. De klim leek niet dicht gesneeuwd. Opeens merkte ik dat er twee gemzen vooraan in de couloir me onbeweeglijk stonden aan te staren. Wanneer ik het korte stukje afdaling aanvatte de couloir in, vluchtte ze omhoog weg over steile rotsen uit mijn zichtveld. Het was onbegrijpelijk hoe die dieren zo behendig langs de rotswand konden lopen. Ze maakten wel enkele stenen los tijdens hun vlucht en die vielen naar beneden slechts enkele meters voor me passerend.

Ik begon aan de klim. Zo een driehonderd meter hoger lag de Brèche de Tuquerouye. Met mijn stokken op de allerkortste lengte, over losse stenen en een vaag kronkelend pad ging het langzaam naar boven. Na een tijd rustte ik even uit en het uitzicht naar het noorden reikte nu over de Dent de Tuquerouye. Je zag het gehele Vallée d’Estaubé, met achter aan het Lac des Gloriettes. Weer hoorde ik in de couloir stenen naar beneden rollen, maar ik kon niet exact achterhalen waar. Ik begon verder met de klim en plots merkte ik iets raars op op de rotsen in de brèche. Wanneer ik wat hoger was zag ik dat het een Mariabeeld was dat men hier aangebracht had. Toen ik de laatste dertigtal meter moest aanvatten werd de Refuge de Tuquerouye zichtbaar en wist ik dat ik er bijna was. De Refuge de Tuquerouye is een klein onbemand berghutje in de brèche. Ik had geluk gehad dat er tot nu toe geen sneeuw lag op de klim, maar vanaf nu was het steile vage pad plots dicht gesneeuwd. Eerst probeerde ik de sneeuw te ontwijken door over de stenen te klimmen, maar dit was bijna ondoenbaar. Het was er zo steil dat de stenen weg rolden wanneer je ze betrad. Voorzichtig probeerde ik het dan over de sneeuw. Gelukkig was hij niet bevroren, zodat je veilig trapjes kon stampen in de sneeuw. Met deze techniek ging ik langzaam naar boven. Wanneer ik om vijf voor vier in de Brèche de Tuquerouye (2666m) was en om het hoekje van de refuge draaide werd ik weer eens overdonderd door het uitzicht. Het zicht vanaf de Brèche Spanje in was overweldigend. Dat kwam door twee zaken. Je ziet van hieruit op de met enkele kleine wandgletsjers bekleedde noordwand van de Monte Perdido (3355m), de derde hoogste top van de Pyreneeën en aan de voet van de berg ligt het donkerblauwe Lago de Marboré of Lago de Pineta (2592m) in het zogenaamde Balcon de Pineta. Het meer heeft meerdere namen. Maar waar ik nog erger van schrok was de sneeuw. Er lag hier heel veel sneeuw. Overal tussen de rotsen lag hier een dik pak sneeuw. De gletsjers waren zelfs moeilijk te herkennen op de wand, want die was volledig bedekt met sneeuw. Ook de afdaling naar het Balcon de Pineta was bedekt met een dik pak sneeuw, veel meer dan het laatste stukje van de klim daarnet. Ik begon me al zorgen te maken hoe ik hier verder moest en ik moest verder want er was weinig keuze. Terugkeren kon niet.

Refuge de TuquerouyeIk zette mijn rugzak tegen de refuge, ging naar de deur en probeerde ze te openen, maar ze was op slot. Door het raampje zag ik een kachel, een bankje en enkele bussen met brandstof. Het was hier erg koud en er blies een stormachtige noordenwind door de brèche die soms een raar klapperend geluid maakte nabij een diepe gleuf in de rotsen dicht bij de brèche. Boven de rotsen zag ik nu het Mariabeeld van dichtbij met net eronder een klein zonnepaneel. Ook aan de andere kant van de brèche waren twee kleine zonnepanelen aangebracht op de rotsen om de refuge eventueel van stroom te voorzien. De top van de Monte Perdido verdween al vlug tussen snel voorbij razende wolken. Lang bleef ik hier niet want het was er onaangenaam door de koude wind. Ik begon langzaam aan de afdaling. Met één van mijn wandelstokken prikte ik steeds door de sneeuw om te voelen hoe dik het pak was. Dan zette ik mijn voet voorzichtig een stap omlaag. Op sommige plaatsen lag de sneeuw meer dan een halve meter dik. Meestal zakte ik niet dieper dan een tien centimeter in de sneeuw, maar af en toe waar de sneeuw minder compact lag zakte ik tot mijn knieën weg. Het duurde lang voor ik tot dicht bij de oever van het Lago de Pineta (2592m) was afgedaald.

Dan moest ik uitmaken langs welke kant ik het grote meer ging passeren. Volgens de Spaanse kaart die ik bij had liep het pad naar de westelijke oever van het meer, volgens de Franse kaart liep het pad juist naar de oostpunt van het meer. Ik zag precies dat er een pad onder de sneeuw lag een tiental meter boven de oever van het meer dat naar het oosten liep. Hier ging ik dan ook naartoe, want het meer langs de westkant passeren leek een stuk moeilijker. De oevers waren daar veel steiler. Of er nu wel degelijk een pad was heb ik nooit met zekerheid geweten. Ik liep nu op enige afstand van de meeroever door de sneeuw verder naar de oostpunt van het meer. Vlak door de sneeuw lopen was niet zo moeilijk meer als de afdaling, hoewel er nu soms grote rotsblokken lagen onder de sneeuw die er voor zorgde dat ik toch niet zo snel vorderde. Nog één keer zakte ik met mijn rechter been tot het midden van mijn dijbeen in de sneeuw. Hier lag dus zo’n zeventig centimeter sneeuw opgehoopt tussen de rotsen. Ik zat goed vast. Het koste me wat moeite om mijn been er terug uit getrokken te krijgen. Ik had nog steeds mijn korte broek aan en daarom was er nu weer een hele klit sneeuw bovenaan in mijn schoenen gedrongen. Terwijl ik mijn schoen aanhield, probeerde ik het er allemaal uit te prutsen.

Het was een heel eind naar de oostpunt van het meer. Door de sterke wind stonden er grote golven op het meer. Geregeld stak ik ook smeltwaterriviertjes over. Overal hoorde je water druppelen en stromen. De sneeuw was duidelijk aan het smelten, maar snel zal zo’n dik pak nog niet weggesmolten zijn. Wanneer ik aan de oostpunt van het meer aankwam, waar een brede rivier het verzamelde smeltwater van vele kleine stroompjes in het meer afleverde, zette ik mijn rugzak dicht bij de oever van het meer op een plaats waar net geen sneeuw meer lag. Hier vulde ik mijn waterzak weer helemaal vol met het meerwater. Dan vertok ik weer. Ik ging nu langzamerhand een plaats zoeken om mijn tent op te kunnen stellen. Een wandelpad was hier duidelijk niet, maar toch merkte ik hier een besneeuwde steenman op, op de twee meter hoge rotsrichel aan de oostpunt van het meer. Via een soort natuurlijk trapje klom ik de rotsrichel op. Voor me lag nu weer een dalletje waar weer een brede rivier smeltwater vervoerde naar het meer. Steenmannen waren verder niet meer te bekennen. Achter de rivier, eigenlijk midden in het Balcon de Pineta, lag een kolossale bult van vaste rots, die weer bedekt was met sneeuw. Gemakkelijk kon je hier niet opklimmen, want hij was vooraan begrensd door een lange enkele meters hoge en vrijwel verticale rotswand, waar heel wat sneeuw opeen gehoopt lag tegen geblazen. Ik stak de rivier over en zocht een plaats waar ik de rotsbult kon opklimmen. Eerst ging ik westwaarts, dicht bij de oevers van het meer blijvend, naar een plek waar de rotswand niet zo hoog was. Toen ik vlak voor de plek stond zag ik dat het langs hier toch niet ging lukken. Ik volgde dan de rotswand, wat klimmend naar het oosten. Na een eind kwam ik op een plek waar de sneeuw zo fel was bijeen geblazen, dat hij tot aan de bovenrand van de rotswand reikte. De sneeuw moest hier wel zo’n drie meter dik liggen. Voorzichtig ging ik over de sneeuwhelling naar boven, oppassend dat ik niet te diep wegzakte want indien ik wegzakte zou dat wel eens zeer diep kunnen zijn. Helemaal bovenaan lag de sneeuw inderdaad blijkbaar niet zo compact. Ik stampte de sneeuw telkens eerst wat aan, maar nog zakte ik steeds tot bijna aan mijn knieën weg. Toch was het helemaal niet moeilijk en ik was snel boven.

Boven op de bult lag niet zoveel sneeuw. De wind heeft hier dan ook altijd vrij spel. Er waren zelfs uitgebreidde plekken waar geen sneeuw lag en de rots zichtbaar was. Voor me werd nu een diep dal zichtbaar, gelegen tussen de topografische bult en de steile noordwand van de Monte Perdido. In het dal stroomt de jonge Rio Cinca, die het water uit het Lago de Pineta wegvoert uit het Balcon de Pineta. Het dal was ook gevuld met enkele enorme rotsblokken die ooit van de noordwand van de Monte Perdido moeten zijn afgebrokkeld.

Brèche de TuquerouyeIk liep terug naar het westen en plots kwam ik voetsporen tegen in de sneeuw. Er moest hier al iemand gelopen hebben. Ik volgde ze en merkte enkele steenmannen op tussen de sneeuw. Dit was blijkbaar de vage weg, die ook op mijn beide kaarten is aangegeven, die vanuit de oostpunt van het Balcon de Pineta naar de zuidpunt van het Lago de Pineta voert. Ik volgde de sporen door de sneeuw tot ik aan de zuidpunt van het meer kwam. Het Lago de Pineta is hier ingedamd door twee primitieve dammen van opeengestapelde en vast gemetselde stenen. Ik ging de eerste kleine dam over en vervolgens ook de tweede. Het waterpeil van het meer stond veel lager omdat het water gewoon door een gat onder in de tweede dam stroomde. Dit is de bron van de Rio Cinca, één van de grote Spaans Pyreneese bergrivieren. Van op de dam zag je weer aan de overkant van het meer frontaal op de Brèche de Tuquerouye met in de brèche de gelijknamige refuge. Je zag de sporen in de sneeuw vanaf de brèche die ik daarnet gemaakt had. Ik trok nog een foto en keerde nu terug om ergens een geschikte overnachtingsplek te vinden.

Ik volgde weer het met steenmannen bewegwijzerde spoor terug tot voorbij de plaats waar ik het ontdekte. Op een gegeven moment zag ik dat de voetsporen plots de steenmannen niet meer volgden. Terwijl het spoor van voetsporen verder afdaalde naar het dal waardoor de Rio Cinca stroomt, bleef ik nu de steenmannen verder volgen door de sneeuw. Er was duidelijk geen pad, maar de steenmannen waren goed te volgen. De weg bleef steeds ongeveer op dezelfde hoogte lopen.

Na een korte tijd kwam ik bij een grote ingesloten plas water, waar middenin nog een plak sneeuw op dreef. De plas lag in een soort bassin, ingebed in de vaste kalksteenrotsen. Van overal stroomde smeltwater hier samen. De plas waterde af op twee plaatsen. Langs de kant van de Monte Perdido werd de plas begrensd door een lage vrijwel horizontaal verlopende rug van vaste rots, waarin in het midden een ondiepe gleuf was waardoor het water met grote snelheid wegstroomde. Aan de oostkant van de plas bevond er zich een vlak stuk bodem, vrijwel sneeuwvrij en bestaande uit wat steentjes en klei, waardoor een kleine brede stroom het water rustig wegvoerde. Het was net hier dat ik de ideale plek vond om mijn tent op te stellen. Slechts enkele meters van de plas en de stroom en tegen de begrenzende vaste rotsrug stelde ik mijn tent op. Er had hier ooit blijkbaar al iemand overnacht met een tent, want er lagen stenen opeengestapeld die de kampeerplaats moesten beschermen tegen de wind. Er stond nog steeds een strakke wind en daarom plaatste ik ook een muurtje van stenen tegen de kant van mijn tent waarop de wind blies.

El CilindroRond halfacht stond mijn tent zoals het moest en begon ik het eten klaar te maken. Het uitzicht van in mijn slaapzak door de tentdeur viel recht op de Monte Perdido (3355m), waarvan de top nu meer en meer te zien werd tussen de snel voorbij stormende grijze wolken. Beter kon niet. Om halfnegen werd het snel donker en ging ik slapen, terwijl mijn horloge me nog vertelde dat het 5,7°c was in mijn tent. Het voelde toch nog kouder aan. Na een tijdje wanneer ik mijn ogen opende zag ik dat het nog opmerkelijk licht was in mijn tent. Het was net alsof er iemand met een zaklamp van op enige afstand door het ventilatiegat scheen. Toen ik doorheen het stof van de binnentent naar het ventilatiegat keek, zag ik inderdaad een rond wit licht. Het was de volle maan die net in het oosten over het Balcon de Pineta was gestegen. Ik deed mijn tent open, want dat wou ik wel eens echt zien. Het was prachtig. Er waren geen wolken meer. Het beeld van de maan die over de sneeuwvlakte van het Balcon de Pineta scheen en op de noordwand van de Monte Perdido is iets dat je nooit vergeet. Ik ritste alles weer dicht en viel snel in slaap.

Afstand : 20,0km
Duur: 9h10

Klimmen : 1140m
Dalen : 1460m

Ik werd gewekt om kwart voor zes, maar begon me pas tien minuten later aan te kleden. Het begon net licht te worden en enkel in het oosten hingen wat kleine lenticulariswolken, die later mooi paars kleurden wanneer de zon net boven de horizon verscheen. In tegenstelling tot gisteren konden alle bergen nu bewonderd worden. De fel besneeuwde noordwand van de Monte Perdido (3355m), met naast hem El Cilindro (3328m) en in het westen de Grand Astazou (3071m) en Petit Astazou (3015m) zijn de opvallendste toppen. De top van de Pico de Marboré (3252m), de hoogste top van de Cirque de Gavarnie, leek van hier uit maar een kleine onopvallende top naast El Cilindro.

Grand AstazouHet waterpijl van de plas was flink gedaald en de brede stroom naast mijn tent was droog gevallen. De plas waterde nog enkel af via de rotsgleuf, waar ik merkte, wanneer ik me aan de plas ging wassen, dat er nu ook duidelijk minder water doorheen ontsnapte. Dit kwam natuurlijk omdat er door de koude nacht niet zo veel sneeuw meer weg smolt.

Monte PerdidoNadat ik gegeten, me gewassen en mijn rugzak ingepakt had begon ik uiteindelijk om kwart over negen met wandelen. Ik volgde verder, nog steeds door heel wat sneeuw, de steenmannen tot aan de steile oostkant van het Balcon de Pineta. Toen ik hier aan kwam zag ik enkele gemzen links van me. Er lag hier plots niet zo veel sneeuw meer en overal waar de bodem wat vlak was vond je hier bivakplekken, afgezet met muurtjes stenen. Recht voor je gaapte nu de steile afgrond naar het Valle de Pineta, een mooie vallei zo te zien, maar van hieruit kon je de bodem van de vallei nog niet goed zien. Er was nog steeds nergens een El Cilindrowandelpad te bekennen en ik merkte nu ook geen steenmannen meer op. Toen ik wat verder ging naar de afgrond van het Balcon de Pineta, merkte ik plots op dat de route net voorbij de gemzen liep. Ik liep vervolgens wat terug en ging naar de groep gemzen toe. Ze vluchtten wat omlaag en keken me aan, terwijl één van hen eens fel blies door zijn neusgaten, om me te vertellen dat ik niet welkom was. Plots verscheen er een wandelpad dat een scherpe bocht naar links maakte. Ik kwam nu in een steil hangend dal terecht waardoor het wandelpad fel omlaag slingerde. Vanaf hier verdween de Monte Perdido uit het zicht en lag er ook geen sneeuw meer. Na een tijdje afdalen werd nu het volledige Valle de Pineta zichtbaar. Het was een typisch Spaans dal voor de Pyreneeën. Eén dat je in Frankrijk nooit zal zien. De vlakke bodem van het dal was gevuld met loofbos, waartussen de Rio Cinca in verschillende armen doorstroomt. De noordelijke dalwand bestaat uit enkele grijze puinhellingen die beneden tot diep in het loofwoud dringen. De zuidelijke dalwand is dan weer helemaal anders. Deze lijkt meer op die van een canyon : verticale bruine rotswanden onderbroken door schuin liggende wandterrassen, waarop beneden wat naaldbomen groeien. De vallei is ongeveer 15 km lang en is volledig onbewoond, maar er loopt wel een brede grindweg door de bodem van het dal tot helemaal achter in het dal naar de Parador, een Spaans staatshotel, en de enkele kleine campings.

Valle de PinetaDe bergen rondom het dal zijn opvallend minder hoog en waren dan ook niet bedekt met sneeuw. Enkel op enige afstand ten noorden van het dal waren nog enkele bergen te zien die een sneeuwdek hadden. Het waren de toppen rond de Circo de la Munia en die van de Cirque de Troumouse, met opvallendste toppen de Pico de Robiñera (3005m) en de Pico de la Munia (3134m). Deze laatste berg zag ik op de eerste dag al vanuit Frankrijk. Vanuit Spanje ziet hij er helemaal anders uit. De afdaling duurde lang. Af en toe moest er een klaterende beek overgestoken worden en na een hele tijd zag je uiteindelijk rechts van je de Rio Cinca zich via verschillende watervallen van op het Balcon de Pineta het Valle de Pineta instorten. Ik kwam een eerste Spanjaard tegen die in zijn eentje de klim naar boven begonnen was. Hij vroeg me wat in het Spaans, maar ik maakte hem duidelijk dat ik geen Spaans begrijp. Dan probeerde hij het maar met wat woorden Engels. Hij wou weten hoe lang ik al onderweg was vanaf het Balcon de Pineta. Twee uren antwoordde ik hem en ging dan verder.

Niet veel later stopte ik even om wat uit te rusten. Ik bevond me op ongeveer 1900m en niet veel lager zou er zich een afslag moeten bevinden die naar de Faja de la Tormosa leidt. De Faja is een wandelpad dat over één van de terrassen loopt op de zuidwand van het Valle de Pineta hoog boven de vallei. Ik zag beneden geen duidelijk pad, maar in de verte zag ik er wel één dat slingerend naar de Faja leidt en verder niet meer kon vervolgd worden tussen de naaldbomen. Er liepen zelfs al enkele mensen op. Ik at nog een klein stukje van mijn bananenbrood en vertrok weer.

Cascada del CincaNaarmate ik verder afdaalde kwam ik meer en meer groepen Spanjaarden tegen in de tegenovergestelde richting. Wanneer ik bijna tot de bodem van het dal was afgedaald stak ik een riviertje over om een vaag paadje te nemen. Ik verliet nu het drukke pad waar ik lang over afgedaald had. Dit kleine paadje leidde snel tot de monding van een soort kleine kloof waardoor de Rio Cinca via een hoge waterval, de Cascada del Cinca, de bodem van het Valle de Pineta bereikt. Het paadje kwam nu uit op een duidelijker pad dat vanuit de bodem van het dal kwam gestegen. Ik betrad het stalen brugje over de rivier en moest dan nog een stuk over stenen naar de overkant. Hier begon het pad weer fel te stijgen en na de eerste haarspeldbocht stopte ik om de onderpijpen van mijn broek te ritsen en mijn trui uit te doen. Je had nu een mooi zicht op de hoge klaterende waterval. Ik trok een foto en ging verder.

Het pad bleef al slingerend sterk stijgen tussen enkele kleine naaldbomen en een enkele keer moest er met handen en voeten een rots opgeklommen worden. Na een tijdje kwam ik opnieuw aan een beekje waar ik stopte om mijn waterzak bij te vullen. Niet veel verder kwam ik dan op een plek waar je een drie meter hoge rotswand moest opklimmen met behulp van een ketting. Met een zware rugzak ging het toch wel niet zo vlot.

Vanaf nu was ik op de faja. Het pad kende nooit lange vlakke stukken. Het liep afwisselend een stuk langzaam omhoog of omlaag net rond de boomgrens slingerend rond zo’n 1900m. Telkens werd er een nieuw zijdal ingedraaid waar een klaterend beekje naar beneden stroomde. Achter me zag ik nu het steile dalhoofd van het Valle de Pineta. Daar ergens moest ik over een pad zijn afgedaald. De Port Neuf de Pinède (2466m), of in het Spaans de Puerto Nuevo de Pineta, was nu ook goed te zien.

Na een hele tijd op de faja stopte ik en at onder een rots in de schaduw een pakje hardkeks op. Het was ondertussen al tien over één. Wanneer ik weer vertrok kwam ik niet veel verder rond halftwee aan een splitsing. Hier stopte de Faja de la Tormosa en begint de afdaling naar de bodem van het Valle de Pineta. Maar ik draaide rechts het pad op dat fel kronkelend omhoog steeg, naar de Collado de Añisclo (2453m). Het pad was gemarkeerd met de rood–wit markering van het GR11 en ook met steenmannen. Al snel kwam ik aan een bronnetje waar ik opnieuw mijn bijna lege waterzak vulde. Ik had vandaag al veel gedronken.

De klim werd steeds ruiger. Na een tijd werd het pad vager en moest er steil over rotsen en losliggende stenen geklommen worden. Dan plots kwam de route uit bij een enkele meters hoge verticale rotswand. Die moest even aan de voet naar het oosten vervolgd worden tot op de plaats waar hij ophield. Hier merkte ik geen verfstrepen of steenmannen meer op. Maar er leek toch een vaag pad naar omhoog te lopen. Wat hoger kwam ik toch opnieuw enkele steenmannen tegen. Het finale stuk van de klim was onduidelijk. Er was geen pad en op ruime afstand waren steenmannen gestapeld. Ik klom over losliggende steentjes naar boven, tot ik op de brede Collado de Añisclo (2453m) uitkwam om tien over drie.

Cañon de AñiscloEr stond veel wind en het uitzicht achter de col was weer helemaal anders. De col ligt in het dalhoofd van een dal dat zich verder ontwikkeld tot een echte canyon. Het is de Cañon de Añisclo, één van de drie canyons van het Ordesa Nationaal Park. De canyon was van hier uit nog niet volledig te zien, want een deel lag nog verscholen achter de hellingen van La Suca (2802m), de berg ten zuiden van de col, waarop nog wat sneeuw lag. Rond de Cañon de Añisclo lag een grote dorre hoogvlakte, waarop niks groeit, en in de verte zag je op het verder uitlopende glooiende Aragon. Keek je terug van waar je kwam, dan kon je nog steeds het gehele Valle de Pineta zien. De Pico de la Munia (3134m) viel nu fel op. Het was de enige fel besneeuwde top in het noorden. Naar het oosten toe kon je in de verste verte de hoogste toppen van de Pyreneeën waarnemen. Door goed te kijken zag je de Pico de Aneto (3404m) en de Posets (3375m). In het noordwesten zag je nu op de besneeuwde noordwand van Las Tres Sorores. Zo noemen de Spanjaarden het Monte Perdidomassief. De Monte Perdido zelf was onzichtbaar. Ook zag je nog het Balcon de Pineta waar ik overnacht had met achter aan de Picos de Astazou (3015m en 3071m) en de Brecha de Tucarroya (2666m). Ik nam enkele foto’s van op de col en ging dan even beschut achter de rotsen zitten aan de rand van de col om een powerreep te eten. Op een rots stond hier een pijl geschilderd met het woord Goriz eronder. Dit was de weg die ik ging nemen naar de Refugio de Goriz (2160m), de enige berghut in het Spaanse nationaal park. Je kon van hieruit ook afdalen in de Cañon de Añisclo.

Circo de PinetaHet was al veel later dan ik verwacht had en ik twijfelde eraan of ik vandaag nog de hut kon bereiken. Ik probeerde de weg met het oog te vervolgen. Hij liep naar de steile wanden onder Punta de las Olas (3022m), de meest oostelijke top van Las Tres Sorores, vanaf waar ik niet meer kon achterhalen hoe de weg verder liep. Volgens de kaart moet de weg daar beveiligd zijn met enkele kabels. Ik vertrok weer en volgde het pad dat nu naar het westen liep net onder de bergflank, zodat het Valle de Pineta niet meer zichtbaar was. Al snel kwam ik op een tweede col uit op de bergflank waar het enorm hard waaide vanuit het Valle de Pineta. Er vielen plots druppels uit de hemel, terwijl het onbewolkt was. Toen merkte ik dat de wind het water uit een bron, die het ontstaan gaf aan een waterval op de steile rotswand langs de kant van het Valle de Pineta, gewoon omhoog blies over de bergwand. Wat verder waaide het zelfs zo hard dat je tijdens een rukwind moest blijven staan met benen gespreid en met je armen op je wandelstokken steunend om niet omver geblazen te worden. Ik passeerde twee trekkers die vanuit de tegenovergestelde richting kwamen. Traag ging ik verder, soms tegengehouden door een felle rukwind. Wat later liep de weg van de bergflank weg en steeg geleidelijk in de richting van de donker bruine rotsen van Las Tres Sorores. De wind waaide nu minder hard. Ik kwam opnieuw plekken sneeuw tegen en stak verschillende beekjes over die nog steeds smeltwater wegvoerden.

Voor me doemde nu een waterval op, waarvan het water door de wind naar alle kanten werd geblazen. Toen ik op zo’n tweehonderd meter van de waterval was genaderd stopte ik om mijn regenjas aan te doen. De wind blies het water zelfs tot hier. Ik kwam dichter en plots verscheen er nog een tweede kleinere waterval voor de waterval die ik al even in het vizier had. Bij momenten blies de wind heel wat waterdruppels van beide watervallen in je gezicht. Toen ik uiteindelijk tot net voor de grote waterval was genaderd zag ik dat de weg over de rotsen verder liep net voor de waterval. Nat ging ik altijd worden. Ik wachtte tot er weer een hevige wind het water in de hoogte blies en ging dan snel onder de waterval onderdoor, zodat ik toch niet al te nat werd.

Achter de waterval kwam de weg nu uit de zon op de puinhelling terecht, onder de hoge rotswand van Punta de las Olas (3022m) en maakte nu een bocht naar links. Nog steeds gemarkeerd met enkele steenmannen steeg het nu verder, af en toe over een sneeuwveld tot aan een schuine natte rotshelling, waar ik me met behulp van de ketting naar boven trok. Af en toe vielen er druppels op mijn pet die van de overhellende rotwand vielen boven me. Dan volgde weer een kort stukje afdaling en kwam ik op een plek waar de puinhelling onderbroken was. De weg liep met behulp van kettingen via de verticale rotswand een stuk naar beneden tot op een nieuwe puinhelling. De rotswand was nat. Ik bevestigde mijn wandelstokken op mijn rugzak en begon eraan. De ketting was ook nat en daarom ijskoud. Traag daalde ik af. Het was uiteindelijk niet zo moeilijk als het eruit zag. Weer op de puinhelling nam ik terug mijn wandelstokken en ging het duidelijke pad licht stijgend verder. Ik bevond me nu op zo’n 2700m hoogte.Cañon de Añisclo Naarmate de rotswand langzaam naar het zuiden draaide kwam ik terug in de zon terecht. De dorre hoogvlakte verscheen weer voor me met de Cañon de Anisclo er diep in ingesneden. Het pad verliep geleidelijk vrijwel vlak op een soort terras hoog boven de vlakte en nog steeds lag er geregeld een sneeuwveld over het pad. Na een tijdje was de weg helemaal naar het westen gedraaid en wandelde ik dus nu langs de zuidflank van Las Tres Sorores. In de verte zag ik nu ook een stuk van de Ordesacanyon. De rotswand rechts van me was nu overgegaan in een steile concave helling, zodat de bergtoppen niet te zien waren.

Opeens kwam een groep mensen achter me afgedaald van rechts. Waarschijnlijk zullen ze de Soum de Ramond (3259m) beklommen hebben en dan verder gelopen zijn tot de top van Punta de las Olas (3022m). Van daar zijn ze dan afgedaald tot op de weg die ik volgde. Twee mensen volgden vlak achter me. Achter een bocht doemde dan plots de Soum de Ramond (3259m) voor me op. Soum de RamondSnel nam ik een foto van dit fraaie zicht. Het pad begon nu langzaam te dalen en kwam na een tijdje op een kleine k